Willem Frederik Hermans ontmaskerd als onbetrouwbare mandarijn

Hermans

Frits Abrahams schreef 11 april 2016 een column over Willem Frederik Hermans ‘als schutter’. Een column mij uit het hart gegrepen omdat ik mij al jaren verbaas over de heiligverklaring van Willem Frederik Hermans.

Hermans bewonderaars plaatsten hem als een onaanraakbare mandarijn op de troon en staan om die troon klaar iedereen die het maar waagt kritiek te leveren op Hermans de volle laag te geven. Er is zelfs een Hermans fansite.

Abrahams, door mij altijd als eerste gelezen wanneer de krant in de digitale bus valt, schreef zijn column naar aanleiding van de uitgave van Mandarijnen op zwavelzuur in Hermans Verzamelde Werken.

Ooit bezat ik een eerste druk van de Mandarijnen, inclusief een originele fotomontage door Hermans. Met rode oren en vaak een schaterlach las ik de vermorzeling van gevestigde schrijvers door Hermans. Zijn romans hebben mij nooit bekoord – hoe durf ik het te schrijven – maar zijn boeken met verzamelde kritische stukken lagen vele jaren op mijn nachtkastje. Heerlijke lectuur voor het slapen gaan. Moeilijk om opzij te leggen wanneer je eenmaal aan het lezen gaat. Hermans beroofde mij menig nacht van mijn rust; met plezier.

Dat plezier bij het lezen van zijn essays nam af bij die zeurderige, eindeloze reeks ruzies met Aad Nuis en Renate Rubinstein over de kwestie Weinreb. Ik haakte voor korte tijd helemaal af door zijn karaktermoord op Cees Buddingh. Dat ging mij te ver. Mogelijk omdat ik Buddingh lang, lang geleden meemaakte op school. Hij wist 25 leerlingen te boeien en aan het lachen te brengen. Een innemende man met Engelse humor. Later maakte ik hem nog vaak mee in een antiquariaat in Dordrecht waar hij zittend achter een tafeltje voor de eigenaresse de zaak waarnam. In de canon van Nederlandse dichters misschien niet in de top tien, maar laten we wel wezen: er is nog nooit een Nederlands kampioenschap dichten gehouden. Dichten is ook geen discipline op de Olympische Spelen. De beoordeling van alle literatuur, ook van dichten, is een individuele kwestie, niet gebaseerd op nationale of wereldrecords.

Dat er geen objectieve maatstaven zijn voor het beoordelen van dichterschap blijkt overduidelijk uit de subjectieve, op de man spelende, manier waarop Hermans Buddingh onderuit schoffelde. Hij hanteerde een goedkoop, doorzichtig trucje. Iedere door Buddingh in zijn dichterlijke vrijheid gemaakte vergelijking werd door kruidenier Hermans op een zeurderige wijze letterlijk genomen en belachelijk gemaakt. En dat niet één keer, maar keer op keer. Hermans had in zijn sadistische drang Buddingh tot de grond toe af te branden niet één essay nodig, maar meerdere.

Buddingh had deze aandacht als compliment kunnen opvatten. Hermans vond hem blijkbaar zo belangrijk dat al die aandacht van de grote Groningse (toen nog wel) schrijver de moeite waard was. Helaas werd Hermans destijds, ook nu nog, serieus genomen en werd hij gezien als de belangrijkste intellectuele, surrealistische schrijver; een groot filosoof. Buddingh werd gezien als een populistische, gemakkelijk toegankelijke schrijver. Gemakkelijk toegankelijk werd in die jaren per definitie veroordeeld. Het was de zwanenzang van de bewonderde, geforceerd obscure, ondoordringbare dichtkunst van de Vijftigers. Een groep dichters die door niemand meer gelezen wordt.

Hermans pijnigde Buddingh tot op het bot. Buddingh heeft daar onder geleden. Hermans als de grote pestkop op de speelplaats van de Hoge Literatuur. Om je kont mee af te vegen (voor alle duidelijkheid: met Hermans en zijn goedkope treiteren).

Frits Abrahams onthult in zijn column ‘Hermans als schutter’, informatie over Hermans die deze naarling tot kleinmenselijke proporties terugbrengt: ‘In 1981 deed ik een merkwaardige ontdekking. Zoekend in het archief van Vrij Nederland vond ik een aantal kritieken in dat blad die nooit waren gebundeld. Hermans schreef ze in 1946 en 1947. Hij was daarin buitengewoon lovend over de poëzie van Gomperts: „De zuiverheid en helderheid van deze poëzie zijn moeilijk te overtreffen.” Het was een ‘klein’ dichterschap maar van ‘eenvoudige grootsheid’. Acht jaar later beschreef Hermans Gomperts als een prutser, wiens geschriften „de lucht van afgekloven beenderen verspreiden”. Hermans noemde in die VN-kritieken het proza van Van der Veen in de roman Wij hebben vleugels „zo natuurlijk en origineel”, maar in zijn Mandarijnen maakte hij dit boek later belachelijk. Wat bleek? Hermans had in de tussentijd ruzie met deze collega’s gekregen en nam wraak. Ik schreef er in 1981 in Vrij Nederland een column over, Hermans reageerde in een interview met een ontwijkende dooddoener. Ik heb ervan geleerd dat Mandarijnen op zwavelzuur het schotschrift is van een onbetrouwbare schutter wiens losse flodders soms de verkeerde mensen raken.’

Ik wist dit niet, maar ben geenszins verbaasd. Wat Hermans in de Mandarijnen deed, deed hij op een vergelijkbaar gluiperige wijze in de overschatte sleutelroman Onder professoren.

Dat boek werd bij uitgave, en nu misschien nog steeds, gezien als terecht aan de schandpaal nagelen van het provinciaal bekrompen Groningse universitaire wereldje. Ook hier valt Hermans wanneer de feiten onthuld worden door de mand als een ‘onbetrouwbare schutter wiens losse flodders soms de verkeerde mensen raken’.

Willem frederik Hermans woonde toen hij als lector fysische geografie aan de universiteit van Groningen verbonden was in de villawijk Haren ten zuiden van de stad Groningen. Van zijn huis naar de universiteit was een ritje per bus van tien minuten. Met mooi weer gemakkelijk te fietsen.

Voor Hermans bleek het een onoverbrugbare afstand. Ondanks zijn voor die tijd, eind jaren zestig begin jaren zeventig van de vorige eeuw, riante salaris van 45.000 gulden per jaar, was het hem te veel moeite naar de universiteit te komen.

In het studiejaar 1971/72, ik kan het weten want ik was destijds een ‘van zijn studenten’, verzuimde Hermans college te geven. Week na week stonden we als studenten op hem te wachten. We veroorzaakten in protest rumoer en dreigden met een complete collegestaking. Na drie weken vergeefs wachten verscheen de vierde week een assistent van Hermans die bij de deur van de collegezaal aan de studenten een pak stencils uitdeelde en ons mededeelde wanneer het tentamen was. Hermans hebben we dat studiejaar niet gezien. Die had het te druk met zijn werk als schrijver.

Ik weet nog steeds niet of hij een beunhazende schrijver of een beunhazende lector was.

Kort daarna (1973) verdween Hermans van de universiteit en uit Haren en vertrok naar Parijs.

Ondanks de ervaringen in Groningen en ondanks de karaktermoorden op Buddingh, Nuis, Rubinstein, Gomperts, Van der Veen en anderen, heb ik nog jarenlang genoten van zijn verzamelingen essays.

Ik probeer heel af en toe te lezen in de beide delen Sadistisch Universum, Boze brieven van Bijkaart, Houten Leeuwen en leeuwen van goud, of Ik draag geen helm met vederbos en begrijp dan niet waarom ik ooit zo enthousiast was.

Bertus G. Antonissen