Vaarwel mie limburgs landj

Jo Erens

Jo Erens

De feestdagen, Kerst en in iets mindere mate Pasen, waren thuis gezellige tijden. Terugkijkend naar mijn jeugd is gezelligheid niet de eerste kwalificatie die mij te binnen schiet. Integendeel.

Kerst was wel altijd heerlijk, ook al was het voor een kind in de lagereschoolleeftijd niet gemakkelijk te voldoen aan de idiote eis van de katholieke kerk vanaf middernacht nuchter te zijn wanneer je ter communie wilde. Later, toen de kerk stuiptrekkend overeind probeerde te blijven in een seculariserende wereld, moest je vanaf drie uur voor de communie nuchter zijn. (Seculariserende wereld..kijkend naar  recente ontwikkelingen kan ik, bij een groeiende fanatieke islam, beter spreken over ontchristelijkende wereld.)

Met rammelende honger hield ik het gezegende ouwolletje zo lang mogelijk in mijn mond terwijl ik, gebukt onder geïndoctrineerde devotie, terugkeerde naar onze gereserveerde plaatsen in de Heilige Agneskerk aan de Beeklaan. Er zaten emaille naambordjes op de gereserveerde plaatsen. Het kwam wel voor dat in een bijna lege kerk gereserveerde plaatsen werden opgeëist of dat bij een volle kerk vroegkomers van gereserveerde plaatsen af moesten en staan.

Ik zong in het kerkkoor. Kerst was een uitputtingsslag: zingen in de nachtmis, om twee uur ’s nachts weer thuis en dan de volgende ochtend, nog steeds rammelend van de honger, zingen tijdens de hoogmis van 10.00 tot 11.30u. Gelukkig maakte ik die combinatie nachtmis-hoogmis slechts een enkele keer mee.

Toppunt van gezamenlijke gezelligheid was de krentenbroodmaaltijd na afloop van de nachtmis. Mijn vader werkte in die tijd in de alarmcentrale van de politie aan de Burgemeester Patijnlaan (later werd hij wachtcommandant aan het bureau hartje Schilderswijk, Van der Vennestraat; die positie ondermijnde ons gevoel van welbevinden en veiligheid tijdens de jaarwisseling).

Een voor ons anonieme dame uitte jaarlijks haar dankbaarheid voor de service van de alarmcentrale door een aantal heerlijke krentenbroden van een meter (!) te schenken. Een van die broden, stoer belegd met roomboter, was de basis van de schranspartij na de nachtmis.

Kerstmis was een feest in de kerk, maar ook thuis. Er was altijd een kerstboom en jaar na jaar hetzelfde fantastische feestmaal: kippensoep, gebraden kip, aardappelpuree, appelmoes, vanillevla. Pure luxe. Een vriend van mijn zus Jopie, Gommair S., zoon van een slijter aan de Weimarstraat, gaf het deskundige advies bij de maaltijd Graves Superieur te drinken. Beter was er niet, en wat werd er van genoten.

Vele jaren later probeerde ik die wijn nog eens; wat een smerige, zoete troep.

De meest gedenkwaardige Kerst was 1962; ik was 14 jaar. Mijn moeder verkondigde al weken dat we ‘zo lekker door de winter rolden’ door het uitblijven van vorst en sneeuw. Dat heeft ze geweten: op tweede Kerstdag begon het onophoudelijk te sneeuwen. Ik zie mijzelf nog zitten in de fauteuil bij het raam met uitzicht op de kantoorboekhandel hoek Beeklaan-Copernicusstraat. De sneeuw werd door de wind tegen de muren omhoog geblazen. “Hij blijft liggen!”. Koning winter misleidde het naar sneeuw verlangende kind in de voorafgaande weken met snel verdwijnende natte sneeuw. Nu bleef de sneeuw liggen in aanloop naar drie maanden vorst en de meest gedenkwaardige Elfstedentocht ooit met de winst van Reinier Paping. Ik zag die tocht samen met mijn vader rechtstreeks en in zwart-wit op de TV. Van de duizenden die startten, kwamen nog geen 80 aan de finish.

Kerst is in mijn geheugen en hart gegrift en altijd geassocieerd gebleven met warmte en gezelligheid. Afgelopen Kerst, 2015, bijna 55 jaar na die gedenkwaardige Kerst van 1962, zette ik heel vroeg in het seizoen de kerstboom op, namelijk op 1 december. Iedere ochtend was mijn eerste handeling: lichtjes, circa 500, aan. Pas daarna cappuccino en smoothy voor M. en mijzelf.

Kerstmis is weemoed en herinneringen.

Maandag 4 januari 2016 heb ik de boom weer afgetuigd en opgeborgen. M. en ik namen ons voor dat samen te doen in het weekend van 2/3 januari, maar ik wilde Kerst nog even rekken tot na het weekend.

Denkend aan thuis in de Copernicusstraat en de collectie 78-toerenplaten met Limburgse liedjes, andere muziek haalde mijn vader nooit in huis, koos ik bij het aftuigen van de boom op YouTube voor Jo Erens, de troubadour van het Limburgse lied. Meerdere van die liedjes kan ik nog steeds, gedeeltelijk, meezingen. Vooral het liedje over de Sittardse zwerver Zefke Mols, ‘ene van de stadsprofeten’.

Erens’ Vaarwel mie limburgs landj riep, zoals altijd, ook deze keer weer vele herinneringen op aan het land van herkomst van mijn ouders en daardoor ook van mij. De logeerpartijen in Sittard en Maastricht, vooral Sittard, de fietstochten, de boerderij van mijn oma aan de rand van het centrum Sittard, Rijksweg-Noord, mijn eenzame rondzwervingen door Sittard, de hele dag die ik zittend op een stoel langs de Rijksweg vol heimwee wachtte op mijn vader die mij op zou halen na te veel weken logeren…. Er is meer, veel meer.

Na de lange zomerlogeervakanties bij familie in Sittard, keerde ik met licht accent en een zachte G terug naar Den Haag en werd op school door Modestus Vercoelen in Limburgse solidariteit met extra aandacht onthaald.

Ik voelde mij dan heel bijzonder en welkom.

Vaarwel mie limburgs landj…

Bertus G. Antonissen

Please follow and like us:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.