Theofobie

Luca Giordana - Salomo ontvangt wijsheid van god

Luca Giordana – Salomo ontvangt wijsheid van god

Macht wordt uitgeoefend via angst. De macht van autoriteiten is gebaseerd op angst. Angst om ontslagen te worden, angst om niet verkozen te worden, angst afgewezen te worden, angst voor straf. Dit gaat op voor zakelijke werkgever-werknemer relaties, professionele relaties in de politieke en wetenschappelijke sfeer, rangverschillen in de ambtelijke en militaire beroepswereld, maar ook in onevenwichtige persoonlijke relaties. In de persoonlijke, relationele sfeer kan sprake zijn van een machtsverhouding mogelijk gemaakt door de angst verlaten, afgewezen te worden.

Onderwerping aan autoriteit vermindert angst, of maakt angst beheersbaar. Dienen van een autoriteit is niets anders dan verantwoordelijkheid uit handen geven. Dreiging van oorlog en economische of sociale onzekerheid biedt een vruchtbare bodem waarop autoriteit kan groeien. De beloning is veiligheid en zekerheid. Schijnveiligheid en -zekerheid, allemaal mogelijk gemaakt door de angst der angsten: angst voor vrijheid.

Onafhankelijkheid van autoriteiten vereist de durf vrij verantwoordelijk voor eigen keuzes te zijn. Dat lijkt maar weinigen, belemmerd door sociale structuren, gegeven te zijn.

Angst mobiliseert angst. Angstige mensen wakkeren de angst bij anderen aan. Zo ontstaat angstgroepvorming. De absurde discussie over de opvang van vluchtelingen en het wangedrag van tegenstanders is niets anders dan manifestatie van angst. Angst die niet op feiten gebaseerd is, zo lang Prof. Dr. Sywert van Lienden niet in beeld is tenminste. Zijn ‘vergissing’ bij de interpretatie van onderzoekgegevens over criminaliteit onder allochtone jongeren was gebaseerd op zijn angst voor sociale ontwrichting door de komst van vluchtelingen. Van Liendens excuus dat de misinterpretatie van wetenschappelijke data ontstond door de spanning van de discussie in DWDD is ongeloofwaardig. De jongeman is al meerdere jaren tot vervelens toe stamgast aan de DWDD borrelpraattafel. Nee, Sywertje keek door een angstkoker; DAT veroorzaakte zijn miskleun.

Angst en ratio botsen. Een existentiële botsing waarvoor al vele eeuwen op te gemakkelijke manier soelaas gevonden wordt: de in apocriefe geschiedenissen en in starre regels vastgelegde fantasie over een autoriteit die alle menselijke falen overstijgt en veiligheid biedt. Bij voorkeur veiligheid na het aardse leven. Zo’n ideologie en autoriteit valt nooit door de mand, want niemand keert terug na de dood om te getuigen dat er sprake is van gebakken lucht en oplichterij.

God(sdienst) is een bedreiging voor de vrijheid, ook al denkt René Luijk in zijn boekje Leven zonder theofobie – God is geen gevaar voor onze vrijheid, daar heel anders over. De naam van de uitgever stemt tot glimlachende reflectie: Brave new books.

Godsdienst is angst en dreiging met hel en verdoemenis. Godsdienst is ook onverdraagzaamheid vanwege het monopolie dat godsdiensten op de waarheid menen te hebben. Het wordt pas echt eng wanneer de zelfbedachte en zelfopgelegde, archaïsche regels van de eigen godsdienst ook voor anderen moeten gelden. Onvermijdelijk worden niet-gelovigen, of aanhangers van een andere godsdienst gezien als minderwaardigen en heidenen die, volgens sommige godsdienstrichtingen, met geweld bekeerd of bestreden moeten worden.

“Omdat het moet van mijn geloof” is misschien wel de meest voorkomende drogreden omdat ‘moet’ niets anders is dan een vrije keuze of omdat ‘van mijn geloof’ niets anders is dan onderwerping aan regels bedacht door woestijnprofeten, middeleeuwse godsdienst goeroe’s of dwangmatige pogingen eigen angsten te onderdrukken. Alleen al de waanzin dat vrouwen verstopt in hobbezakken zich buitenshuis moeten begeven. Eerder een bewijs van mannelijk gebrek aan zelfvertrouwen dan noodzaak tot bescherming van weerloze vrouwen. Raadselachtig dat moslimmannen – nee, niet alle muzelmannen, dat weet ik zo langzamerhand wel – die fanatiek de met burka of sjaal bedekte rol van de vrouw eisen, zonder enige zelfkritiek en met groot enthousiasme vrouwen die niet tot hun geloofscultuur horen voor hoer uitschelden en aanranden, liefst verkrachten. Je besneden pik met graagte in minderwaardige westerse vrouwen, of ze willen of niet, rammen en tegelijkertijd je eigen vrouwen neurotisch bedekken uit angst dat ze misschien belangstelling hebben voor een andere man dan jezelf. Hoe schizofreen kan je het bedenken? Of is dat wat de profeet en je god voor ogen hebben?

Godsdienst is angst voor vrijheid. Afvalligheid vergroot die angst en moet daarom in sommige godsdienstrichtingen desnoods met geweld bestreden worden. De afvallige is nog erger dan de heiden, want komt uit de eigen groep voort en brengt de stabiliteit van het geloof aan het wankelen.

Zelf groeide ik jaren vijftig van de vorige eeuw op in een conservatief katholiek milieu. Op niet-gelovigen werd neergekeken. We werden als kinderen door graaiende priesters en benedictijner broeders bedreigd met god en gebod en bang gemaakt met ‘dagelijkse’ en ‘doodzonden’. Voor dagelijkse zonden werd tijdens je leven, via de biecht – over onderdrukking gesproken – vergiffenis geschonken. Doodzonden, zoals op zondag niet naar de kerk gaan, draag je tot na je dood mee. En dan was er ook nog de erfzonde. Iedereen die niet christelijk gedoopt werd, zo indoctrineerde men ons, kwam in de hel terecht. Er was voor mij als klein mens, maar één conclusie mogelijk: iedereen uit de Copernicusstraat die niet katholiek was en niet op zondag naar de kerk ging, wachtte de hel. Een somber vooruitzicht want in de jaren 50 van de vorige eeuw waren er maar drie gezinnen bij ons in de straat die naar de Agneskerk aan de Beeklaan gingen. Mijn broer G. en ik in onze ‘nette’ plus-four broeken. Wat hebben we gesmeekt om ‘normale’ broeken zoals alle jongens bij ons in de straat. Kriebelende, wollen plus-four broeken en Robinson schoenen van keihard leer dat de blaren op je hielen veroorzaakte. Alleen daarom al was de kerkgang een marteling. Het katholieke gezinsleven isoleerde ons en isoleerde de omgeving, allemaal zondaars.

Als het meezit zouden onze hoofdzonden in het limbo tussen dood en hemel van de ziel gewassen worden. Zo niet, pech gehad en eeuwig branden in de hel. En dat allemaal uit naam van de barmhartige, liefdevolle god van naastenliefde.

Angst, allemaal angst.

Als 14-jarige scholier maakte ik voor geschiedenis een werkstuk over de islam. In mijn ogen, en niet alleen in mijn, een godsdienstcultuur uit verre landen. Een vreemde cultuur met vrouwen in sluiers, minaretten, ramadan, geen alcohol en bedevaart naar het heiligdom in Mekka. We leerden op school over de kruistochten in de 11de-13de eeuw tegen de moren die de heilige stad Jeruzalem bezet hadden en zich via Spanje verspreidden naar het noorden. In 732 had Karel Martel al een islamitisch leger onder emir Abdul Rahman verslagen bij Poitiers. Van jongs af aan is mij bijgebracht dat de islam bereid was met het kromzwaard het geloof te verspreiden. Toch was er geen sprake van islamofobie, dat woord bestond nog niet.

De eerste keer dat ik mij realiseerde dat er dreiging uit gaat van de islam – politiek-correct nuancering: een deel van de islam – was toen ayatollah Ruhollah Musavi Khomeini 14 februari 1989 de doodstraf uitsprak over Salmon Rushdie vanwege diens boek De duivelsverzen. In historisch perspectief: tien maanden voordat november 1989 een andere ideologie, het communisme, met de val van de muur ten onder ging. Het lijken wel communicerende vaten: als op één plaats de druk daalt, gaat hij elders omhoog.

De islam – ja, ja, een deel van de islam – liet via Khomeini zijn onverdraagzame, moordzuchtige gezicht zien. Dat niet alleen, want we wisten al van de  executies in Iran en andere moslimlanden: we kregen dat ware gezicht te zien binnen onze westerse wereld omdat Salmon Rushdie leefde en werkte in Engeland. Ineens kwam die ‘rare cultuur’ van lijfstraffen bedreigend dichtbij.

In de jaren na 1989 kregen we dat enge gezicht van de islam – zucht, een deel van de islam – steeds meer te zien via gruwelijke onderlinge oorlogen en moordaanslagen met als dieptepunt binnen onze levenssfeer 9/11 waar uit naam van allah 3.000 onschuldige burgers werden geslachtofferd in New York.

Naar schatting is ‘slechts’ ongeveer 25% van de moslims supporter van de agressieve, moordzuchtige, expansionistische islam. Die 25% komt neer op circa 300 miljoen fundamentalistisch agressieve moslims; ongeveer net zo veel mensen als er wonen in de U.S.A. Een aantal om rekening mee te houden en om een fobie voor te ontwikkelen als niet-moslim, of gematigde moslim.

De islam toonde de afgelopen 30 jaar keer op keer via aanslagen en dreigementen zijn gruwelijke gezicht. Begrijpelijk dat zich een fobie tegen deze islam ontwikkelde.

Islamofobie heeft een betekenis gekregen die haaks staat op de oorspronkelijke betekenis, waardoor de slachtoffers dader zijn geworden en de daders slachtoffer. Islamofobie is het verwijt geworden dat moslims maken tegen niet-moslims alsof islamofobie synoniem is aan discriminatie van moslims. Die angst voor moslims was er aanvankelijk niet; hij is gecreëerd door moslims….ja, ja: niet alle moslims.

Zo lust ik er nog wel een paar: je pleegt de ene aanslag na de andere ‘allah akbar’ schreeuwend, Deense cartoonisten worden ‘allah akbar’ met de dood bedreigd, in de Twin Towers massamoord worden ‘allah akbar’ duizenden om het leven gebracht. IS(IS) snijdt ‘allah akbar’ koppen af of steken gevangenen in ijzeren kooien levend in brand, de redactie van een Frans puberblaadje wordt ‘allah akbar’ vermoord en Parijse theater- en terrasbezoekers worden ‘allah akbar’ met kalashnikovs afgeslacht….en dan staan moslims – niet alle – te schreeuwen dat ze slachtoffer zijn van islamofobie.

Ik wou dat ik bevrijd was van het gezeur van opstandige moslimtrutten dat ze gediscrimineerd worden omdat ze in een Frans zwembad geweigerd worden in hun burkini. Self-made slachtofferschap.

Ik wou dat de maatschappij zich zo herstelde dat niet alleen sjaaltjes en baardige sandalenmannen-in-jurken vrij over straat kunnen, maar ook joden die nu uit angst hun keppeltje in hun zak stoppen na synagogebezoek.

Liefst nog wou ik dat al die godsdiensten mij bevrijdden van iedere vorm van theofobie door eindelijk eens in de praktijk te brengen wat ze allemaal prediken: liefde en verdraagzaamheid.

God is klein.

Norbertus Herschel, theoloog

 

 

Geef een reactie