Er valt helemaal niets te lachen als je over alles een mening hebt, april 2016

BoekenkastApril 2016 werd de maand van ziekelijk aandachtzoekertje Ebru Umar. Onze Turkije correspondent Mehmet Murat Abdülhamit schreef twee bijdragen over haar. Terugkijkend veel te veel aandacht. Met alle sympathie voor het vrije woord, Meditatione Ignis gaat over niets anders dan de vrijheid van meningsuiting, kan helaas maar één conclusie getrokken worden: platvloerse, ordinaire, door rijke ouders over het paard getilde, zelfingenomen Ebru Umar is in geen enkel opzicht een navolgbaar rolmodel van het vrije woord. Er moet heel wat gebeuren willen we aan deze dame nog aandacht besteden in ons forum. We hebben, ik spreek voor de hele redactie, geen enkele behoefte haar aandachtsgeilheid te bevredigen. Laat het duidelijk zijn: onderdrukken van de vrije mening, arresteren van journalisten of overnemen van complete kranten is ons een gruwel. Net zoals polariserend gebruik van het vrije woord door Ebru Umar ons een gruwel is. De vrouw is niet okay. Je ziet dat vaker: nieuwe Nederlanders en tweede generatie Nederlanders zijn fanatiek en kritiekloos aanhanger van het land van herkomst, of ze spugen fanatiek in de bron waar ze uit voortkwamen in verwoede pogingen erbij te horen in het nieuwe vaderland. Umar heeft als Libelle en Metro columnist en haar verfoeien van al wat Turks is bij de Nederlandse xenofoben een gewild lezerspubliek gevonden. Gemakkelijk scoren en tegelijkertijd creëert ze, de pen is machtiger dan het zwaard, de maatschappelijke tegenstellingen waar ze tegen te keer gaat. Scheldt een Turk, of welke andere bevolkingsgroep ook, volhardend uit voor ‘nageboorte’, stom en NSB-er en je creëert een steeds hardere tegenstander. Mevrouw Ebru Umar beseft blijkbaar niet dat haar gedrag Turks is als dat van Erdogan; Turkser misschien wel. Ze is een voorbeeld van verbaal fascisme van de ergste soort, maar in het boekje ‘Journalist te koop’ van Arnold Karstens beweert mevrouw Umar dat ze ‘de beste columniste van Nederland’ is. Om met Cruijff te spreken: ‘Ik gun iedereen zijn zelfvertrouwen’ (ging toen over Aad de Mos). Echter, Umar verklaart in één adem door: ‘Mijn zwakte is dat ik het effect van mijn woorden niet besef’. Niet best voor de ‘beste columniste van Nederland’. Mag in het archief onder de ‘I’ van ineffectief schrijven.

Met Ebru Umar vergeleken is Hirsi Ali vele malen intelligenter en veel minder polariserend. Ze kan er ook wat van, maar mocht ze al polariseren, ik vind dat niet, dan is dat op grond van argumenten en feiten en niet op grond van goedkoop, demagogisch schelden en bevooroordeelde clichés. Niet iedereen is die mening toegedaan. Bénédicte Ficq verkondigde in DWDD een heel andere visie. Hans Hoek beschreef in zijn bijdrage ‘Bénédicte Ficq spelprogramma: Wie heeft de langste kalkoennek’, de stuntelige manier waarop Ficq Hirsi Ali afserveerde van de lijst toonaangevende Nederlandse vrouwen. Ficq vond Sonja Barend belangrijker. Lees Hoek’s verhaal en ontdekt verbijsterd waarom Barend volgens Ficq belangrijker is.

Norbertus Herschel, onze geseculariseerde theoloog, beschrijft de parallel tussen de jaren vijftig van de vorige eeuw katholiek fundamentalisme en het religieus fundamentalisme waar we in de 21ste eeuw mee geconfronteerd worden. Een bijdrage met autobiografische trekjes. Altijd weer fascinerend om te lezen. Norbertus filosofeerde – schoenmaker hou je bij je leest dacht ik even – over het fenomeen fundamentalisme in algemenere zin. Een bijdrage met een ernstige toon. Het zij hem vergeven.

April was ook de maand van het referendum over het associatieverdrag tussen de EU en Oekraïne. Je zou het bijna vergeten. Het tumult in onze videoclipmaatschappij verandert van dag tot dag. Simon Aernout Tire, onze minst betrouwbare redacteur, legt uit dat de onbetrouwbaarheid van de Oekraïense president en de huichelachtige voorvechter van het verdrag, Alexander Pechtold, beiden tot de hoofdmotieven horen waarom massaal NEE is gestemd tegen dat verdrag. Een artikel vol met stuitende onthullingen.

Stephan Krates kon het niet laten te reageren op een boze tweet van Sheila SitalSING: Radio 1 moest haar bellen om te vragen naar de correcte uitspraak van haar achternaam. Krates noemt haar in zijn bijdrage een ‘Surinaams-Hindoestaanse prinses’. Een van de betere, Ebru Umar is de zelfverklaarde beste, columnisten op de Nederlandse postzegel. Dat wel, maar met een elitaire arrogantie. Aandacht, of dat nu in de politiek of in de media is, tilt over het paard. SitalSING is daar een voorbeeld van.

De Fietslogica van Bertus Antonissen is in alle maatschappelijk onrust een kleine oase van rust. Een niemandalletje dat even adempauze geeft.

Antonissen moest opgekropt gif kwijt in zijn relaas over een keffend stoepenschijtertje en de zo mogelijk nog harder keffende hondeneigenaar, een beunhazende Life Coach. Na het lezen van die bijdrage is maar één reactie mogelijk: dat kan die Life Coach in zijn agressieve zak steken. Antonissen had twee columns nodig om het venijn van zich af te schrijven.

Onze nieuwe redacteur Tim van Dool maakte gehakt van een megalomaan kitsch product; het boek (Masters of the Golden Age), 35 kilo boek in een zogenaamd gelimiteerde editie van 2.500 (!) exemplaren. Weggegooid geld, aldus Van Dool. Alles voor te zeggen. Aan de DWDD tafel zaten Wim Pijbes en Matthijs van Nieuwkerk kwijlend te geilen bij dit nonsensboek. Halina Reijn was de enige die nuchter bleef en zich terecht af vroeg ‘Waar laat je zo’n boek?’

Clifford Mead schoot verontrust uit zijn slof toen hij een nieuw aangekomen vluchtelinge van een jaar of 14 hoorde zeggen dat Hollandse jongens maar moeten leren met onderbroek aan te douchen. De wereld op zijn kop. Bij die puber betekent integratie dat Nederlanders moeten integreren in de achterlijke cultuur die ze als ballast in haar dobberend sloepje meenam. Volgende stap: alle Nederlandse vrouwen moeten maar leren met een sjaaltje over hun hoofd over straat te gaan. Toch niet zo’n slecht idee het dragen van die sjaaltjes speciaal te belasten? Misschien kan er ook een onderbroeken-onder-de-douche tax komen.

Wolfgang-Günther Reill, onze psychiatrische medewerker, lost het probleem Sylvana Simons op. Want een probleem vormt deze mevrouw. We worden steeds vaker geconfronteerd met mensen die ons toe vertrouwen dat ze meteen wegzappen wanneer ze Sylvana Simons, een multitalent met expertise op alle gebieden, op de televisie zien. Mevrouw is irritant, maar Reill heeft ontdekt hoe dat komt. Dat betekent niet dat het probleem Simons opgelost kan worden. Dat kan namelijk niet. Alleen een epidemiologische benadering kan de irritatie wegnemen: Sylvana Simons isoleren uit alle publiciteit. Geen geringe klus. Lees over het syndroom Simons. Je zou aandachtzoekers als Ebru Umar en alweter Sylvana Simons in hun drang naar spotlights liever negeren (nee, we gaan niet weer over ‘neger’ beginnen), maar soms kan je niet om ze heen. De emmer verdraagzaamheid wat die geblondeerde Simons betreft is tot de rand gevuld en het punt van doodzwijgen komt steeds dichterbij. Laten we hopen dat de bijdrage van Ferdinand Braun over het discriminerende zwartje ook de laatste is geweest over dit ‘onderwerp’ (nee, we gaan het niet hebben over onderwerpen en slavernij). Deze keer stond Simons in een praatprogramma te ouwehoeren over een gangbang met de muziekentourage van Prince die ze nog net wist te weerstaan. Prince draait zich om in zijn graf.

Mead, het was een boze-Mead-maand stopte werkgever Hans de Boer in de kofferbak. Niet bijstandgerechtigden zijn labbekakken maar meneer borrelpraat De Boer is dat. Het wordt tijd voor een ouderwetse opstand van werknemers omdat werkgevers de oorlog verklaren aan de arbeid. Ik verwacht in de komende jaren veel rumoer.

Antonissen schreef een vervolg op de ontmaskering van W.F.Hermans door Frits Abrahams, voor zover mogelijk een nog betere columnist dan Ebru Umar, in zijn dagelijkse column in het NRC Handelsblad. Antonissen schreef uit eigen ervaring, of liever gebrek aan ervaring, met spijbelende lector fysische aardrijkskunde W.F. Hermans.

Mehmet Murat Abdülhamit, Turkije correspondent Meditatione Ignis, onthulde Erdogan’s besluit niet langer toe te willen treden tot de Europese Unie. ‘Dichtung und Wahrheit’, zo blijkt, ligt bij Meditatione Ignis niet ver uiteen. Soms overlappen ze elkaar.

Frans Ira klaagde Peter R. de Vries aan wegens majesteitsschennis en onthulde tussen neus en lippen door waar die aanstellerige R tussen Peter en De Vries voor staat. Een boze Frans Ira; onze Frans is zelden niet boos. Woede voedt zijn pen.

Op 18 april bekritiseerde H.A.F.M.O. Hoek een wachtgeldpopulisme. Aanleiding: de oplichterij van Wassila Hachchi die op kosten van de Nederlandse belastingbetaler foldertjes uitdeelt voor het besje Hillary Clinton.

Aron Schoenmaker, nieuw bij Meditatione Ignis, gaf een aantal Arabische landen een draai om hun oren vanwege een puur antisemitische motie die ze bij UNESCO indienden. Een motie die geen kans van slagen had, maar wel symptoom is van de anti-Israel houding binnen geldverslindende UN organisaties.

Georg von Fraunhofer bekeek de stamboom van ons koningshuis, waardoor de vraag of ‘ons’ terecht is onvermijdelijk werd. Willem-Alexander is qua bloedlijn 100% Duits. Zijn kinderen zijn 50% Duits en 50% Argentijns. Deze doorbreking van de Duitse bloedlijn zal zeer waarschijnlijk door zijn dochters, zeker door de troonopvolgster, gecorrigeerd worden door de keuze voor de zoon uit een perifeer adellijke Duitse familie. De tijd zal het leren.

Het was weer een boeiende maand.

Dieter Korbjuhn, hoofdredacteur Meditatione Ignis

Willem Frederik Hermans ontmaskerd als onbetrouwbare mandarijn

Hermans

Frits Abrahams schreef 11 april 2016 een column over Willem Frederik Hermans ‘als schutter’. Een column mij uit het hart gegrepen omdat ik mij al jaren verbaas over de heiligverklaring van Willem Frederik Hermans.

Hermans bewonderaars plaatsten hem als een onaanraakbare mandarijn op de troon en staan om die troon klaar iedereen die het maar waagt kritiek te leveren op Hermans de volle laag te geven. Er is zelfs een Hermans fansite.

Abrahams, door mij altijd als eerste gelezen wanneer de krant in de digitale bus valt, schreef zijn column naar aanleiding van de uitgave van Mandarijnen op zwavelzuur in Hermans Verzamelde Werken.

Ooit bezat ik een eerste druk van de Mandarijnen, inclusief een originele fotomontage door Hermans. Met rode oren en vaak een schaterlach las ik de vermorzeling van gevestigde schrijvers door Hermans. Zijn romans hebben mij nooit bekoord – hoe durf ik het te schrijven – maar zijn boeken met verzamelde kritische stukken lagen vele jaren op mijn nachtkastje. Heerlijke lectuur voor het slapen gaan. Moeilijk om opzij te leggen wanneer je eenmaal aan het lezen gaat. Hermans beroofde mij menig nacht van mijn rust; met plezier.

Dat plezier bij het lezen van zijn essays nam af bij die zeurderige, eindeloze reeks ruzies met Aad Nuis en Renate Rubinstein over de kwestie Weinreb. Ik haakte voor korte tijd helemaal af door zijn karaktermoord op Cees Buddingh. Dat ging mij te ver. Mogelijk omdat ik Buddingh lang, lang geleden meemaakte op school. Hij wist 25 leerlingen te boeien en aan het lachen te brengen. Een innemende man met Engelse humor. Later maakte ik hem nog vaak mee in een antiquariaat in Dordrecht waar hij zittend achter een tafeltje voor de eigenaresse de zaak waarnam. In de canon van Nederlandse dichters misschien niet in de top tien, maar laten we wel wezen: er is nog nooit een Nederlands kampioenschap dichten gehouden. Dichten is ook geen discipline op de Olympische Spelen. De beoordeling van alle literatuur, ook van dichten, is een individuele kwestie, niet gebaseerd op nationale of wereldrecords.

Dat er geen objectieve maatstaven zijn voor het beoordelen van dichterschap blijkt overduidelijk uit de subjectieve, op de man spelende, manier waarop Hermans Buddingh onderuit schoffelde. Hij hanteerde een goedkoop, doorzichtig trucje. Iedere door Buddingh in zijn dichterlijke vrijheid gemaakte vergelijking werd door kruidenier Hermans op een zeurderige wijze letterlijk genomen en belachelijk gemaakt. En dat niet één keer, maar keer op keer. Hermans had in zijn sadistische drang Buddingh tot de grond toe af te branden niet één essay nodig, maar meerdere.

Buddingh had deze aandacht als compliment kunnen opvatten. Hermans vond hem blijkbaar zo belangrijk dat al die aandacht van de grote Groningse (toen nog wel) schrijver de moeite waard was. Helaas werd Hermans destijds, ook nu nog, serieus genomen en werd hij gezien als de belangrijkste intellectuele, surrealistische schrijver; een groot filosoof. Buddingh werd gezien als een populistische, gemakkelijk toegankelijke schrijver. Gemakkelijk toegankelijk werd in die jaren per definitie veroordeeld. Het was de zwanenzang van de bewonderde, geforceerd obscure, ondoordringbare dichtkunst van de Vijftigers. Een groep dichters die door niemand meer gelezen wordt.

Hermans pijnigde Buddingh tot op het bot. Buddingh heeft daar onder geleden. Hermans als de grote pestkop op de speelplaats van de Hoge Literatuur. Om je kont mee af te vegen (voor alle duidelijkheid: met Hermans en zijn goedkope treiteren).

Frits Abrahams onthult in zijn column ‘Hermans als schutter’, informatie over Hermans die deze naarling tot kleinmenselijke proporties terugbrengt: ‘In 1981 deed ik een merkwaardige ontdekking. Zoekend in het archief van Vrij Nederland vond ik een aantal kritieken in dat blad die nooit waren gebundeld. Hermans schreef ze in 1946 en 1947. Hij was daarin buitengewoon lovend over de poëzie van Gomperts: „De zuiverheid en helderheid van deze poëzie zijn moeilijk te overtreffen.” Het was een ‘klein’ dichterschap maar van ‘eenvoudige grootsheid’. Acht jaar later beschreef Hermans Gomperts als een prutser, wiens geschriften „de lucht van afgekloven beenderen verspreiden”. Hermans noemde in die VN-kritieken het proza van Van der Veen in de roman Wij hebben vleugels „zo natuurlijk en origineel”, maar in zijn Mandarijnen maakte hij dit boek later belachelijk. Wat bleek? Hermans had in de tussentijd ruzie met deze collega’s gekregen en nam wraak. Ik schreef er in 1981 in Vrij Nederland een column over, Hermans reageerde in een interview met een ontwijkende dooddoener. Ik heb ervan geleerd dat Mandarijnen op zwavelzuur het schotschrift is van een onbetrouwbare schutter wiens losse flodders soms de verkeerde mensen raken.’

Ik wist dit niet, maar ben geenszins verbaasd. Wat Hermans in de Mandarijnen deed, deed hij op een vergelijkbaar gluiperige wijze in de overschatte sleutelroman Onder professoren.

Dat boek werd bij uitgave, en nu misschien nog steeds, gezien als terecht aan de schandpaal nagelen van het provinciaal bekrompen Groningse universitaire wereldje. Ook hier valt Hermans wanneer de feiten onthuld worden door de mand als een ‘onbetrouwbare schutter wiens losse flodders soms de verkeerde mensen raken’.

Willem frederik Hermans woonde toen hij als lector fysische geografie aan de universiteit van Groningen verbonden was in de villawijk Haren ten zuiden van de stad Groningen. Van zijn huis naar de universiteit was een ritje per bus van tien minuten. Met mooi weer gemakkelijk te fietsen.

Voor Hermans bleek het een onoverbrugbare afstand. Ondanks zijn voor die tijd, eind jaren zestig begin jaren zeventig van de vorige eeuw, riante salaris van 45.000 gulden per jaar, was het hem te veel moeite naar de universiteit te komen.

In het studiejaar 1971/72, ik kan het weten want ik was destijds een ‘van zijn studenten’, verzuimde Hermans college te geven. Week na week stonden we als studenten op hem te wachten. We veroorzaakten in protest rumoer en dreigden met een complete collegestaking. Na drie weken vergeefs wachten verscheen de vierde week een assistent van Hermans die bij de deur van de collegezaal aan de studenten een pak stencils uitdeelde en ons mededeelde wanneer het tentamen was. Hermans hebben we dat studiejaar niet gezien. Die had het te druk met zijn werk als schrijver.

Ik weet nog steeds niet of hij een beunhazende schrijver of een beunhazende lector was.

Kort daarna (1973) verdween Hermans van de universiteit en uit Haren en vertrok naar Parijs.

Ondanks de ervaringen in Groningen en ondanks de karaktermoorden op Buddingh, Nuis, Rubinstein, Gomperts, Van der Veen en anderen, heb ik nog jarenlang genoten van zijn verzamelingen essays.

Ik probeer heel af en toe te lezen in de beide delen Sadistisch Universum, Boze brieven van Bijkaart, Houten Leeuwen en leeuwen van goud, of Ik draag geen helm met vederbos en begrijp dan niet waarom ik ooit zo enthousiast was.

Bertus G. Antonissen

 

 

 

Amor librorum (werk in uitvoering…)

19 febr. 2000. Kraambed L. in afwachting geboorte M. Van de bevalling weet ik vrijwel niets meer; van het boek - Groepsfoto met dame door Böll - bijna alles. Om me te schamen.
19 febr. 1980. Kraambed L. in afwachting geboorte M. Van de bevalling weet ik vrijwel niets meer; van het boek – Groepsfoto met dame door Böll – bijna alles. Om me te schamen.

Ik heb mijzelf vanaf 1 januari 2016 een verbod opgelegd boeken te kopen. Er is nog één bestelling onderweg, het boek van Hannah Arend over Eichmann, en dat is het dan.

Gisteren met Henk S. een paar biertjes gedronken in De Boterwaag aan de Grote Markt in Den Haag. Het beste boek dat hij ooit las: Romulus mijn vader, van Raimond Gaita. Heel enthousiast. Ik houd, ondanks Henks dwingende aanbeveling, voet bij stuk en ga het niet kopen.

De magie van het boek heeft mij mijn hele leven, zo lijkt het, al in de ban. Op de lagere school, na de leeftijd van de Daantje boeken of De schrik van de Imbosch gepasseerd te hebben, las ik Damiaan de melaatse. Kan mij nog stukken uit het boek herinneren. Vooral het moment waarop Damiaan ontdekte zelf besmet te zijn met lepra. Hij waste zijn voeten in heet water en voelde niet de hitte van het water. Besmet. Ook: In navolging van Christus (De imitatione Christi) van Thomas á Kempis. Prisma paperbacks op vergeeld papier die bij ons thuis in de kast stonden. Kastje, eerder, want het leesaanbod was beperkt. Hollands Glorie in een goedkope editie met blauwkartonnen band, soms zie ik nog een exemplaar op boekenbeurzen, bewoog mij tot tranen, vooral toen Jan Wandelaar na een lange reis vernam dat zijn vrouw in het kraambed overleden was. Tranen die ik enkele jaren eerder plengde over de zoektocht van Remy en de dood van Vitalis in Alleen op de wereld van Marlot.

Van Jan de Hartog las ik, na de lagere school, Gods Geuzen, gezeten op een Schevenings havenhoofd, nog voordat de havenhoofden met grote betonblokken verlengd werden. Ik verkoos de vrijheid van Victor Kravchenko was bij ons ‘boek van het jaar’. Het was de koude oorlog met de inval in Boedapest en de bouw van de Berlijnse muur. Kravchenko opende ons de ogen. Of niet? Kravchenko ontvluchtte de Sovjet Unie toen hij bij de VN in New York werkzaam was. Zijn boek kwam in 1946 uit en werd dankzij communistische anti-propaganda vanaf het begin verdacht als Amerikaanse propaganda. Met Kravchenko liep het niet goed. Hij verdiende veel, onder andere in de Peruaanse mijnbouw, maar vergokte nog meer. Februari 1966 pleegde hij in een New Yorkse hotelkamer zelfmoord.

Hollands Glorie verscheen in 1940; De Avonden van Reve in 1947. Dat laatste boek bereikte ons huis niet; evenmin als boeken van andere na-oorlogse schrijvers, geprezen als grote talenten, zoals Hermans en Mulisch. Alleen al van Hollands Glorie werden meer exemplaren gedrukt dan van het complete werk van Reve en Hermans samen. HG werd/wordt gezien als triviaal-, vertelliteratuur. Ik verslond het boek. Ook; Terug tot Ina Damman van Vestdijk en De Avonden, met rode konen, wat een boek, alsof sommige delen over mij en mijn vader gingen. De laatste bladzijde lees ik nog af en toe, niet vaak genoeg, opnieuw. Evenals de laatste bladzijden van On the road, van Jack Kerouac. Vanwege het autobiografische karakter van dat boek verwijt ik Kerouac iedere keer weer dat hij (Sal Paradise) zijn vriend Dean Moriarty in de regen op straat achterliet. Maar goed, dat is allemaal van later. On the road kwam uit in 1957; ik las het pas begin 1970 op rondreis door de Verenigde Staten. In de late jaren zestig had de driedelige Rosy Crucifixion van Henry Miller een belang van bijbelse proporties voor enkele vrienden en voor mij. Wat een taal! Sexus, Plexus en Nexus hadden invloed op onze stellingname in het leven.

Niet in huis, maar wel veel besproken: Ik Jan Cremers; niet alleen vanwege de onverbitterlijkheid van de bestseller en de slimme promotie door provocerende Jan, maar ook omdat mijn vader Jan Cremer(s) heette.

Mijn broer Ger verslond Kasteelromannetjes en Idylle’s. Ik heb één keer zo’n Idylle geprobeerd; deed er twee weken over.

Trots toonde ik de Navolging van Christus op school aan Broeder Modestus. “Veel te moeilijk voor jou”. Daar had hij gelijk in. Ik worstelde me door de 15de eeuwse mystiek van Thomas á Kempis zonder er ook maar iets van te begrijpen en was verheugd toen na vele bladzijden etherische tekst eindelijk de aanhalingstekens werden geopend voor een citaat; een smeekbede van A Kempis aan god.

Afgelopen jaar kocht ik naar aanleiding van een lang interview op TV met voormalig minister Witteveen een door hem geredigeerd boek over soefisme. Voor mij net zo onleesbaar als destijds Navolging van Christus. Ik heb niets met geloof en godsdienst. Integendeel.

De liefde voor het boek werd niet met de paplepel ingegeven. Mijn vader vond het maar flauwekul boeken die je gelezen hebt te bewaren. Vandaar zo’n klein boekenkastje thuis. De Dorébijbel voor het katholieke gezin werd niet weggegooid. De twee delen Kleine Winkler Prins, en, hoe verdwaald in dat kastje, het boek over Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen van Stoet ook niet. Bijbel, WP en Stoet gooi je niet weg. Gelukkig niet, want ik heb er uren in gebladerd en veel uit geleerd. Geleerd uit de bijbel? Niet echt, maar het boek is mij, geloofsafvallige, blijven interesseren. Om zijn ontstaansgeschiedenis, de verbazend homogene inhoud, de omvang, en de vermenging van feit en fictie blijft de fascinatie.

Op de middelbare school bracht ik vele uren door in boekwinkels, vaak ook op de destijds nog zeer goede boekenafdelingen van Vroom & Dreesman en de Bijenkorf. Soms samen met Ronald Lempke – is er ook al een jaar of tien niet meer – maar vaak ook alleen. Ronald was meer dan ik een lezer. Hij bracht mij op het spoor van Hugo Claus. Omtrent Deedee was mijn eerste Claus. ‘Borsten die als speldenkussens op de trapleuning lagen’ was voor de puberende Ton een realistische, fantasieprikkelende beeldspraak. Op school liepen we, aan de hand genomen door een enthousiasmerende leraar, de Nederlandse literatuurcanon door. Hij las hele stukken voor. Er werd door hem zaad gestrooid op mijn vruchtbare bodem, zoals leraar John Keating bij zijn studenten deed op de particuliere middelbare school Welton, Vermont, in de Dead Poets Society. Ik las het boek niet, maar zag de klassieke film met Robin Williams (2014 overleden) als Keating meerdere keren.

Vele jaren en vele boeken later – De mandarijnen van Simone de Beauvoir las ik gekluisterd aan een grote fauteuil in twee dagen uit – kwam ik in contact met John Aarden uit Rotterdam. Een getalenteerde handelaar, maar vooral ook boeken- en prentenhandelaar. Ik heb veel van hem geleerd, maar heb gelukkig niet zijn paranoia niets te verdienen overgenomen. Daarin was John onhandig. Met John ging het later mentaal snel bergaf. Na enkele opnames in psychiatrische ziekenhuizen pleegde hij zelfmoord. Hij was halverwege de vijftig.

Boekhandelaar Ben Vriends, een prachtige kerel met de uitstraling van een charlatan – misschien was hij dat ook wel – zei mij ooit: “John verliest een gulden winst uit het oog omdat hij zich druk maakt om een dubbeltje” (hoe snel zal het aantal mensen afnemen die het woord ‘dubbeltje’ kennen?). Ben kon op de markt in Den Haag, voordat de muur viel, fanatiek de Sovjet Unie verdedigen. Hij was theoretisch communist; praktisch een kapitalistische scharrelaar.

Ben Vriends: overleden. Ook overleden: Frans Rouw, specialist in theologische boeken. Eind jaren 90 kreeg hij, nog geen vijftig, een hersenbloeding. Een paar jaar later was hij dood.

Ik assisteerde John Aarden één seizoen, mei tot oktober 1979, op de donderdagse boekenmarkt aan het Voorhout in Den Haag. John was mijn mentor. Tegen het einde van het seizoen opperde hij dat we een compagnonschap aan zouden gaan. Een benauwende gedachte; niet iets dat ik wilde. Tijdens het gesprek dat we over de details zouden hebben, ik wilde me uit deze situatie wurmen, viel John met de deur in huis dat hij nog eens nagedacht had en dat samenwerking niet haalbaar zou zijn omdat ik mij dan in zou moeten kopen in zijn, omvangrijke, voorraad. Probleem opgelost.

Enkele dagen later, een zaterdagochtend najaar 1979 ging ik naar de Zwarte Markt in Beverwijk. Ik had besloten zelfstandig handelaar in 2de hands boeken te zijn en ging op zoektocht. Het was het eerste, of tweede jaar dat die markt in Beverwijk was. Nog in oude veilinghallen en voordat het een markt van dubieuze handel werd.

Teutsche Ornithologie oder Naturgeschichte aller Vögel Teutschlands in naturgetreuen Abbildungen und BeschreibungenJohan Conrad Susemihl

 

Op de Zwarte Markt stond een postzegelhandelaar uit Heemstede. Op zijn kraam had hij, naast al die vage postzegelprullaria, één boek liggen: “Teutsche Ornithologie oder Naturgeschichte aller Vögel Teutschlands in naturgetreuen Abbildungen und Beschreibungen” van Johann Conrad Susemihl (1767 – 1847). Eén deel uit een reeks en in een nogal slechte staat. Folio formaat met paginagrote, ingekleurde kopergravures. Veel prenten hadden scheurtjes en lelijke vouwen, maar één ding was voor mij duidelijk: oorspronkelijk een prachtwerk.

Er stonden wat mij bekende en niet-bekende ‘boekhandelaren’ te dralen en te discussiëren bij het boek. De prijs: fl. 150,00. Precies het bedrag dat ik bij mij had. Zonder gedoe over korting betaalde ik de postzegelhandelaar en vertrok. Het had geen zin verder over de markt te gaan. In de trein naar Rotterdam bladerde ik mijn prooi door. In Rotterdam ging ik linea recta naar de boekenmarkt om mijn vondst aan John Aarden te tonen. Hij sprak het niet uit, maar mijn inschatting was dat hij zich verbeet. Ben Vriends bekeek het boek met c. 40 prenten gewichtig en schatte dat de prenten, uit het boek gehaald en ingelijst, zeker fl. 150,00 per stuk moesten opleveren.

Wie zou het kopen? Antiquariaat Belrose aan de Mauritsweg. Een vreemde zaak. Allegaar aan oude en nieuwe boeken, ingelijste prenten variërend van topografische tot bloemen en dieren, en in de kelder, een uitgebreide voorraad erotiek (eufemisme voor voornamelijk keiharde porno). De eigenaar verdiende daar zijn geld mee, vooral via de export naar Duitsland.

Ik bood hem het boek van Susemihl aan voor fl.3.500,00. Wie niet waagt.. Na, in mijn ondeskundigheid, veel te hart onderhandelen, ik dreigde zelfs het boek mee te nemen en naar de concurrent Kok’s Boekentoko aan de Oude Hoogstraat in Amsterdam te gaan, legde hij het bedrag integraal op tafel. Geen slechte score met mijn eerste aankoop.

De postzegelhandelaar uit Heemstede heb ik later benaderd of hij meer interessants had. Dat had hij: de complete reeks, groot formaat, Duizendenéénnacht met de ingeplakte illustraties door Anton Pieck. Kosten Fl. 1.000,-. Kocht ik voor Fl. 1.100,- door aan Jan Wander, voormalig groenteboer en nu de zingende Rotterdamse boekhandelaar. Jan’s zoon Richard handelt nog steeds op de Rotterdamse markt in boeken.

Er was in Heemstede ook nog een tweede Susemihl. Het leek erop dat de postzegelhandelaar mij bijna kwalijk nam dat hij het eerste deel veel te goedkoop verkocht. We konden niet tot overeenstemming komen. Hij woonde in een fraaie, vrijstaande villa in Heemstede met sombere inrichting. Het hoofdkwartier van een extreem conservatieve, geheime katholieke kliek. Het voelde daar niet goed. Beetje enge, groezelige mensen.

In de winter van 1979/1980 boog ik me over Uit De wereld van het boek door H. de la Fontaine Verwey. Ik verslond die vier delen. De schriften met aantekeningen moeten nog ergens in mijn berging rondslingeren. Nooit eerder heb ik zo fanatiek en consequent studie van een onderwerp gemaakt. Avond na avond. Eenmaal in bed pijnigde ik mijn geheugen om het gelezene weer in mijn brein te laten passeren. Namen als Francesco Griffo en Ludovico degli Arrighi (letterontwerpers) liggen voor altijd vast in mijn geheugen. Evenals complexe boektitels als Hypnerotomachia Poliphili, Speculum Humanae Salvationis, De civilitate morum puerilium en Moriae encomium, sive Stultitiae laus. Ik werd fan van de Venetiaanse drukker Aldus Manutius omdat hij fraai typografisch vormgegeven boeken drukte en uitgaf, in een modern aandoend lettertype. Mijn ‘antiquariaat’ noemde ik Aldus M.

Ik weet dankzij De la Fontaine Verwey meer over Geert Grote, Pieter Coecke van Aelst, De Atlas Maior van Blaeu en de uitgeversbanden. Ik weet door hem dat de naam ‘miniatuur’ voor afbeeldingen in manuscripten niets te maken heeft met het formaat, maar met de grondstof voor de rode kleur: menie. Niet Coster, jammer voor Haarlem, maar Jacob Gensfleisch vond de kunst uit boeken te drukken met losse, loden letters. Zijn 42-regelige bijbel is in een goed beveiligde vitrine, geplaatst in een kluis met 50cm dikke deuren, in het Gutenberg Museum in Mainz, ik was er meerdere keren, te bewonderen.

Het eerste boek gedrukt met losse, loden letters is nog steeds na ruim 550 jaar één van de mooiste boeken ooit. Hoe kan dat? Hoe kan het dat een van de eerste schilderijen gemaakt met olieverf, de Aanbidding van het lam gods door de broers Van Eyck, nog steeds tot de top uit de geschiedenis van de schilderkunst hoort? Hoe komt het dat Daguerre, niet helemaal terecht alom gezien als de ontdekker van de fotografie, daguerreotypieën maakte die nog steeds scherper zijn dan vele fototechnieken die later gevonden werden? Heeft mij altijd geboeid: de eersten bleven behoren tot de besten. De boekdrukkunst verspreidde zich binnen enkelen tientallen jaren over de wereld. De fotografie van Daguerre verspreidde zich sneller over de aarde dan in de 20ste eeuw de persoonlijke computer.

Drukken met losse letters werd uitgevonden op zoek naar een goedkopere manier om boeken te maken.

Het manuscripten monnikenwerk in kloosters leidde tot veel te dure producten. Boeken bleven lang door deze productiemethode schaars. Volgens Umberto Eco bestond er in de tijd waarin zijn roman In de naam van de roos speelde, een bibliotheek met tienduizenden boeken. Echter, in de bibliotheek van de Sorbonne, destijds de omvangrijkste ter wereld, bevonden zich ‘slechts’ 800 boeken.

Met de eerste boeken van los zetsel probeerden de drukkers manuscripten te imiteren. Ze zien er daarom, de fraaiste exemplaren ten minste, uit als manuscripten met handgekleurde initialen en illustraties, en zonder titelblad. Je donderde bij opening meteen in het boek. Dat duurde nog bijna vijftig jaar zo; de tijd tussen 1450 en 1500, waarin de wiegedrukken (incunabelen) der boekdrukkunst werden gemaakt.

De wereld van manuscripten, incunabelen, post-incunabelen, de wereld van fraaie typografie en de Venetiaan Aldus Manutius, van de Fransman-Antwerpenaar Christophe Plantin tot aan William Morris’ 19de eeuwse Kelmscott Press en van de 20ste en 21ste eeuwse bibliofiele uitgaven en grafische kunst heeft voor mij meer geheimen, dan ‘open boeken’. Ik zie mijzelf als een redelijk geïnformeerde liefhebber. Niet als een expert.

Was Uit de wereld van het boek mijn wegwijzer door grote delen boek- en cultuurgeschiedenis, Ad van der Blom’s Tekenen dat het gedrukt staat werd mijn bron van kennis over grafische technieken zoals houtsnede, kopergravure, ets, taille-douce, litho, houtgravure, offset etc.

Ernie Quist, destijds mede met Willem van Baardewijk eigenaar van antiquariaat Rabelais (ter ziele) in Rotterdam, adviseerde mij Van der Blom’s boek. Een goed advies dat ik vaak aan anderen door gaf. Tweedehands is het boek nog voor een sympathieke prijs van twee tientjes te koop. Wie het niet heeft, moet het kopen. Een rijke bron.

De vette winst op het boek van Johann Conrad Susemihl zette ik niet om in meer kapitaal. Er waren wel vaker welkome meevallers, maar niet met zo’n winstpercentage.

Vanaf mei 1980 was ik ingeschreven in de Kamer van Koophandel als ambulant boekhandelaar en stond met vergunning en al op de zomerse Boeken- en antiekmarkt in Den Haag. Die markt kende ik al sinds 1967 toen ik werkte bij het Ministerie van Onderwijs aan de Nieuw Uitleg in Den Haag. Na mijn werk, of tijdens de middagpauze ging ik regelmatig die markt over. Nu stond ik daar met mijn boeken en werd geslachtofferd door landerige ambtenaren die op de markt toeristisch slenterend hun middagpauze doorbrachten. Na de eenzame boekenstudie tijdens de wintermaanden kon ik me nu presenteren met een kraam goede kwaliteit antiquarische boeken zoals je tegenwoordig op wekelijkse boekenmarkten niet meer ziet. Veel van de betere boeken kocht ik op Duitse veilingen.

Het was de start van twee jaren bloeiende negotie.

Op donderdag stond ik de zomermaanden van 07.00 tot 21.00 u op de markt aan het Voorhout. Eens per maand ging ik, na mijn voorraad in Hoogvliet gebracht te hebben, ‘s nachts naar Parijs waar ik de hele dag schooierde langs de Seine-oever en in allerlei antiquariaten. De prijzen in FF werden voor mij, zonder het bedrag te wijzigen prijzen in Fl. Kwestie van 1 F weggommen. De moeite van de reizen naar Parijs waard.

Eén keer gingen L., Th. en B. mee naar Parijs. We sliepen in het Bois de Boulogne in onze oude Ford Transit. Dat zou je tegenwoordig in een dergelijke omgeving niet doen. Ik zie B. nog op een vroege ochtend langs het water uitgebreid in gesprek met een visser. De Fransman en hij verstonden elkaar niet, maar dat was voor B. geen belemmering het gesprek vol te houden en vraag na vraag te stellen.

Er zwerft nog ergens een foto rond waarop ik met Th. en B. op een bankje de aangekochte boeken doorbladerde. Het waren vier (?) zeer gelukkige, zomerse dagen.

Na twee jaar op de markt kelderde de economie en van ‘booming business’ kwam de handel in antiquarische boeken voor velen van ons tot stilstand. Er waren op het Voorhout geen klanten meer die bereid waren voor antiquarische boeken de portemonnee te trekken. Mijn winkeltje aan de Zaagmolendrift bloedde dood en ik verhuisde met mijn handel naar de Zwaanshals. Een winkel die ik alleen gebruikte voor opslag.

Toch was er nog een meevaller. Ik werd benaderd door Lydia Oorthuys, de weduwe van Cas Oorthuys en beheerder van Cas’ archief. Ze wilde wat over was van Cas’ boekenverzameling verkopen. Behalve mij schakelde ze ook gerenommeerde antiquaren als André Swertz en Niek Waterbolk in. Ik stond op het punt op vakjantie te gaan en gaf Lydia door mij gemaakte catalogi waarin ze kon vinden wat ik voor boeken als de hare vroeg. Ze kon zelf uitrekenen, veel van haar boeken had ik eerder gehad, wat ze van mij kon verwachten. Na drie weken vakantie ging ik weer bij haar langs. Ze had het niet op kunnen brengen zelf aan het rekenen te gaan en vroeg mij een bod te doen. Mijn bod oversteeg dat van Schwertz; Waterbolk had niets van zich laten horen.

In eerdere catalogi die ik de wintermaanden stuurde naar klanten in binnen- en buitenland bood ik al fotoboeken aan. Nu kon ik met de verzameling, of wat daar van over was, boeken van Cas Oorthuys, plus fotoboeken die ik in de loop van de tijd her en der inkocht, een afzonderlijke catalogus fotografie maken, Een geïllustreerde catalogus. Die catalogus werd een standaardwerk. Zelfs nu, na meer dan 30 jaar, kwam ik hem in een antiquariaat tegen. De antiquaar gebruikte hem als naslag in zijn handbibliotheek. Een compliment.

De liefde voor het boek zit er bij mij diep in. Zo diep, dat bezoeken aan boekhandels nog steeds zelfs fysiek effect op mij hebben. Eén keer ontmoette ik iemand die daar ook last van had: Hellen van W., destijds de echtgenote van Simon van W., een Haagse verzamelaar die het van de verzamelopwinding (of de half-zware shag) aan zijn hart kreeg. Een groot kenner van boeken. Ook van hem leerde ik veel.

Boeken zijn niet alleen om te lezen. Het zijn ook magische objecten. Boeken in talen die je niet beheerst, zijn mythisch. Digitale readers zullen op de lange duur het boek niet verslaan. Geen mooiere wandversiering dan een kast met boeken, liefst van vloer tot plafond. De geschiedenis van het boek, is de geschiedenis van de mens en zijn cultuur. Een boek in je hand is papier, vormgeving, gewicht, een kluis vol informatie, ideeën en emotie. Niets aangenamer dan met het gedrukte woord in een luie stoel op schoot, of aan tafel zitten met een boek voor je.

Boek is ambacht. Ambacht van de schrijver, de zetter, de letterontwerper, de drukker, binder, maar ook de uitgever en de verkoper. Boeken roepen gretigheid op tot verzamelen. Boeken zijn ook status. Soms is het woede. Afgelopen december nog riep een boek omdat één keer het woord ‘neger’ erin gebruikt werd zoveel woede op dat een kleine groep mensen het nodig vond een exemplaar symbolisch te verbranden hartje Amsterdam. Amsterdam nota bene. De stad van Willem Jansz Blaeu, de stad van de Nederlandse Boekhistorische Vereniging, de stad van meesterbinder Albert Magnus, van de uitgevers Cornelis Claesz en Laurent Jacobsz, van toonaangevende boekenwinkels en bibliotheken, ook de stad van Rembrandt als illustrator. De stad met een rijke boekengeschiedenis. En daar gaan dan een stel geborneerde malloten symbolisch een boek verbranden. Vloeken in de kerk.

Nu maar zien of ik mij aan het zelf opgelegde verbod boeken te kopen weet te houden. Ik vrees het ergste.

Bertus G. Antonissen