Jammie Jammie Kini

Ik zie, als ware het gisteren, mijn zus in 1955 nog idioot gekleed naar school lopen. Ze zat op school bij de zusters aan de Beeklaan, naast de Heilig Hart kerk, in Den Haag. Ik ging op school bij de broeders in de Herschelstraat. Jongens en meisjes werden strikt gescheiden gehouden; op school, bij zwemles, in de kerk, bij sporten. Meisjes moesten naar school een rok aan. Spijkerbroeken waren symbool van een verderfelijke cultuur. De opstandige meiden droegen wel spijkerbroeken, liefst zo strak mogelijk, maar daarover een rok. Geen gezicht. Na schooltijd werd de rok meteen voor de deur van de school op straat uit gedaan en weggeborgen. Onze ouders, Roomser dan de paus, maakten geen bezwaar. Ze vonden de kledingeisen van de nonnen een beetje gek. Bijzonder, want tegen zusters, broeders, pastoor of priesters ging je niet in. De de wil van de kerk en de clownesk verklede vertegenwoordigers was wet.

Nonnen gingen nog als pinguïns gekleed door het leven. Broeders en priesters liepen in lange jurken. Soms gingen priesters in kazuifel (ja, jonge lezertjes, dat wordt dus even Googelen), vooraf gegaan door twee bejurkte misdienaars schaamteloos over straat op pad om een ernstig zieke de laatste sacramenten toe te dienen. Niet-katholieken, heidenen in onze ogen, keken destijds net zo vreemd naar die verklede priesters als niet-moslims nu vaak kijken naar moslimmannen in jurken en dikke moslimvrouwen in afzichtelijk lange, grijze jassen – waar kopen ze die? – met sjaals of soms zelfs burka’s.

Als  jongen groeide je in de jaren vijftig en de vroege jaren zestig van de vorige eeuw op in een wereld waarin seks een stiekeme aangelegenheid was. Niet vanwege de stiekem graaiende handen van het hoofd van de lagere school, broeder Modestus Vercoelen, maar vooral ook vanwege het strenge verbod op alle lichamelijkheid.

Wij waren als katholieken, en niet alleen wij katholieken, de moslims avant la lettre. Gluurderige blaadjes als De Lach en Bolero waren de enige bron om hitsig naar vrouwenlijven te kijken. Die blaadjes prikkelden slechts de fantasie want er was tiet noch kut te zien. We moesten het doen met decolleté’s en stiletto BH’s met fake horizontaal priemende tieten zoals Madonna die ruim een generatie later weer pronkend droeg. Niets nieuws onder de zon.

Eind jaren vijftig zagen wij pubers de eerste ‘hoerige types’ in bikini op het strand bij Duindorp. Want vrouwen die zo gekleed gingen waren natuurlijk verderfelijke sletten, maar wat vonden we het spannend.

De Lach en Bolero werden in de zo geprezen, bevrijdende sixties opgevolgd door pornoblaadjes als Chick en Candy. De Katholieke Illustratie werd Nieuwe Revue en bloot werd in dat gezinsblad en in De Panorame even normaal als de centerfolds in Playboy. Het was nog even wachten op internet midden jaren negentig totdat porno gratis voor iedereen zonder beperking beschikbaar kwam. Daarvoor moesten de liefhebbers het nog doen met Betamax en Pal videobanden.

Was al die expliciete presentatie van naakt en seksualiteit een vooruitgang? Soms denk ik van niet. Sex zonder nieuwsgierige spanning is al snel saai. Er moet wat gegluurd en gefantaseerd kunnen worden.

Er is gelukkig hoop nu we dankzij de geïmporteerde achterlijkheid en onverdraagzaamheid van ruim een miljoen moslims weer ouderwets kunnen fantaseren over in overmatig textiel gehulde meiden. Ik moet bekennen dat de ontevredenheid die vaak straalt van de gezichten van moslima’s mij de lust tot fabuleren ontneemt, maar soms zie ik in prachtig pastel gehulde jonge meiden met lange broeken, lange blouses en hoofddoeken, met brutale koppen en karaktervolle neuzen en liefst ook nog modieus, westers opgemaakt – hoe schizofreen – die het waard zijn mijmerend na te staren.

Als ik echt mocht kiezen: geef mij maar het uitzicht op een licht-Rubiaane moslimschoonheid in drijfnatte burkini, zoals een schets vaak meer aantrekkigskracht heeft dan een volmaakt schilderij.

Bertus Gerardus Antonissen.

 

 

 

Rooms katholieke Jihad

plus fours
plus fours

Kort na de tweede wereldoorlog nam de secularisatie snel toe. Althans, volgens mijn ouders. ‘In de oorlog, toen de mensen in nood waren, zaten de kerken stampvol; nu zie je steeds minder kerkgangers’. Een mantra die we als kinderen iedere zondag vanaf medio jaren vijftig te horen kregen.

Ons gezin was een rooms katholieke enclave in de heidense omgeving van een Haagse volkswijk. Met twee andere vrome gezinnen hadden we in de straat groet-contact onderweg naar de kerk. Zij waren één van ons. Alle niet-kerkgangers waren heidenen die het hellevuur wachtte. Op zondag niet naar de kerk gaan was immers, zo werd er bij de broeders op school ingedreund, een doodzonde.

Dagelijkse zonden kon je biechten; doodzonden droeg je tot het vagevuur bij je, tenzij je rechtstreeks de hel in ging. De katholieke indoctrinatie namen mijn ouders uit Zuid Limburg mee. Ze vertrokken voor W.O.II, tijdens de depressie van de jaren dertig, naar ‘boven de Moerdijk’, de heidense wereld tegemoet, waar ze stevig vast hielden aan hun Limburgse katholieke cultuur. In die jaren was zo ongeveer 90% van de zuid Limburgers vroom katholiek.

Ik heb het nooit met ze besproken, maar vermoed dat ze halsstarrig, fundamentalistisch de katholieke kerk met zijn achterlijke principes aanhingen, juist omdat ze zich bevonden in een vreemde, heidense omgeving.

Wij groeiden daardoor min of meer geïsoleerd op. Vriendjes mochten niet bij ons thuis komen. We gingen anders gekleed dan leeftijdgenoten, vooral op die heilige zondag. Mijn broer en ik moesten tegen onze zin in, in plus-fours over straat naar de kerk. We schaamden ons kapot maar mijn ouders vonden het ‘netjes’. Netjes was belangrijk, ook al liepen we onze hielen kapot met die keiharde Robinson leren schoenen. Degelijk en netjes.

Het fundamentalisme van mijn ouders plaatste ons buiten onze omgeving. Op zondag moesten we rammelend van de honger naar de hoogmis en ‘s avonds om zeven uur ook nog naar het ‘lof’.

Zelfs in de eerste klassen van de middelbare school moesten we iedere dag, voordat we naar school gingen, de ochtendmis bijwonen. Die ouwe controleerde ons als een geheim agent. Op de lagere school sloegen we ook geen dag over. De broeders hanteerden een presentielijst waarop aangetekend werd of je wel naar de mis geweest was.

We groeiden niet alleen in isolement, maar ook in schuld en boete op. Niet goed voor het zelfvertrouwen van de opgroeiende kinderen.

De combinatie van maatschappelijk isolement, fundamentalistisch geloof belijden en gevoel van superioriteit tegen de ons omringende heidenen had de bron van veel ellende kunnen zijn als we ons ook nog etnisch hadden onderscheiden in de wijk waar we woonden.

Stel dat we niet alleen met ons gezin, maar met een hele wijk streng katholieke christenen een enclave hadden gevormd binnen de stad Den Haag; stel dat we niet alleen neerkeken op de heidenen rondom ons, maar dat die heidenen ook met argwaan naar ons fundamentalistische christenen keken; stel dat we door ons uiterlijk door alle niet katholieken als ‘anders’ werden herkend; stel dat in onze katholieke enclave alleen Limburgs zou worden gesproken of gebrekkig Nederlands met een heel zwaar Limburgs accent; stel dat wij door ons isolement een school- en maatschappelijke achterstand op liepen..

Ik stel maar en stel nog verder: als aan alle veronderstellingen in de vorige alinea voldaan werd, dan was de kans groot dat wij 2de en 3de generatie Limburgers, razendjaloers op de ons omringende wereld, een stuwmeer aan agressie vulden, valse zekerheid zochten in fundamentalistisch geloof en niets liever wilden dan de andere wereld schade toebrengen.

Niet alle katholieken zouden die weg volgen. Velen zou het lukken zich te vechten uit het isolement en een plaats verwerven in de omringende wereld, indien gewenst met behoud van katholieke waarden. Maar, wanneer een kleine groep mede-katholieken agressief de heidense wereld terroriseerden, dan zou ik als brave, geïntegreerde katholiek met de dag banger worden voor een reactie van de heidenen.

Ik zou mij,  enkel en alleen omdat ik katholiek was, de hele dag bespied voelen en misschien op de lange duur in verzet komen tegen de wereld waar ik zo hard mijn best voor deed om er bij te horen.

Norbertus Herschel, theoloog en Vaticaan watcher.