Er valt helemaal niets te lachen als je over alles een mening hebt, mei 2016

 

boekenkastDe maand mei was, in vervolg op de berichten in april, weer een maand waarin alle publicitaire ogen gericht waren op miniatuur Kwatta’s.

De tijd dat de gasten in praatprogramma’s werden uitgenodigd en in de schrijvende pers aan het woord kwamen op basis van deskundigheid of verdienste lijkt achter ons te liggen. Mei werd de maand van twee dames wier namen ik uit protest niet weer wil noemen. Mei werd ook de maand waarin het debat over racisme explodeerde. Net zo min als ik behoefte voel die beide dames te vermelden, voel ik behoefte mij in dat debat over racisme te begeven.

Het is helaas onvermijdelijk er toch kort iets over te zeggen. Degenen die zich dood ergeren aan het publieke optreden door één van de dames reageren in mijn ogen helemaal verkeerd met hun racistische scheldpartijen. De vraag is overigens of hier werkelijk sprake is van racisme of eerder van machteloosheid uiting te geven aan irritatie. De dame in kwestie wordt om onbegrijpelijke redenen keer op keer uitgenodigd in populaire praatprogramma’s. Die uitnodigingen zijn werkelijk raadselachtig omdat ze deskundigheid noch verdienste heeft. Haar houding in die programma’s, en niet alleen daar maar ook in een theater, is ronduit irritant. Mijn bezwaren tegen haar hebben helemaal niets te maken met etniciteit, maar alles met inhoudelijke ergernis.

Een dame wier naam ik maar al te graag noem is Fidan Ekiz. Een Nederlandse, net als die andere dame, met een niet-Nederlandse achtergrond. Fidan Ekiz verschijnt even vaak in praatprogramma’s als dame X. Toch zijn massaal racistische reacties en scheldpartijen niet Ekiz’ deel. Ik voel bij Ekiz nooit irritatie, maar altijd bewondering. Ze vindt bij mij een zeer willig gehoor. Hoe komt het dan dat op X door mij met ergernis en bij Ekiz met bewondering gereageerd wordt? Dat heeft wat mij betreft alles met deskundigheid en verdienste te maken.

Aan de mevrouw die in Turkije enige tijd werd vastgehouden, ik neig tot het wel weer noemen van haar naam, begin ik te wennen. Ik vind dat ze vaak polariseert, maar bij haar voel ik niet de irritatie die ik bij X voel. Integendeel, er zijn momenten dat ik ook haar bewonder.

Laten we ons a.u.b. niet aanpraten dat onze maatschappij verziekt is door racisme. Er zijn veel voorbeelden van nieuwe Nederlanders op toonaangevende posities, zoals de voorzitter van de Tweede Kamer en de burgemeester van Rotterdam. Alle Nederlandse kranten hebben journalisten en columnisten onder hun gelederen met een niet-Nederlandse achtergrond. Veel gaat goed.

Er is racisme in onze maatschappij. Dat valt niet te ontkennen. Lees de bijdrage van Mehmet Murat Abdülhamit over Discriminatieparanoia. Ondanks de opgewonden racismediscussies van afgelopen tijd, ben ik van mening dat Nederland op dit gebied niet slechter scoort dan andere landen in de EU; zelfs beter dan enkele Oost-Europese landen. Ik durf het bijna niet te schrijven, maar kunnen de inwoners van Nederland die menen dat onze maatschappij gebukt gaat onder racisme mij één land noemen waar ze beter af zullen zijn? Mehmut schreef dat je ‘Slim moet zijn om discriminatie te bestrijden’.

In de maand waar we doden herdenken en bevrijding vieren schreef Bertus Antonissen een kort persoonlijk verslag over de deportatie van het vriendje van Ger Booms en hoe Ger daar de rest van zijn leven last van had. Van Antonissen konden we ook zijn relaas over Gerard Fieret, de zonderlinge Haagse fotograaf lezen.

Joshua Gooree schreef over de 22-jarige Christa Noëlla, ook een nieuwe Nederlander, die vier mei niet wil vieren. Haar onvolwassen anti-argumenten zijn haar vergeven. Het meisje heeft geen benul van geschiedenis en is gespeend van empathie met mensen die wel willen herdenken. Onvergeeflijk is dat het luie journalistieke wereldje zich stortte op deze wind van een eenling en prominenter maakte dan nodig.

De Sensualiteit van het moslimhoofddoekje, door Herschel wierp eindelijk een ander licht op deze door velen afgewezen en door velen verdedigde hoofdbedekking. Ik deel overigens met Herschel dat ‘omdat het moet van mijn geloof’ baarlijke nonsens is.

De naam van die ene mevrouw wil ik dus niet meer vermelden, maar de nieuwsgierigen onder ons verwijs ik naar het artikel over splintergroep DENK door Jean Morve.

Ik heb het me moeilijk gemaakt met de zelfcensuur over de naam van dame X, want ze keert nog een paar keer terug deze maand bij Meditatione Ignis, onder andere met een lang ‘interview’.

Theodor Holman komt aan bod vanwege een xenofobische column in Het Parool.

Simon Aernout Tire sluit de maand af met de ergernis van Alexander Pechtold over de benoeming van Taco Dibbits tot algemeen directeur van het Rijksmuseum.

Volgende maand is de hele redactie van Meditatione Ignis op reis. We blijven echter paraat om ons licht te laten schijnen over dringende zaken.

Blijf lezen!

Dieter Korbjuhn, hoofdredacteur

 

Gerard Petrus Fieret, de Haagse gelatinezilverdruk Rembrandt

Gerard Petrus Fieret collage zelfportret
Gerard Petrus Fieret collage zelfportret

Op de Haagse boekenmarkt aan het Lange Voorhout hoorde ik 1980 van Dick Maan, grafisch ontwerper en auteur van publicaties over Paul Schuitema en Piet Zwart, dat Gerard Fieret ‘de beste fotograaf van Nederland’ was.

Ik stond 1980-1984 met antiquarische boeken op die markt en kwam daar in contact met Fieret. Hij bezocht me iedere week tegen het einde van de donderdagmiddag om lange verhalen te vertellen en af en toe zijn gedichten te declameren.

In 1984 kocht ik van Lydia Oorthuys de boekenverzameling, of wat daar van over was, van haar man Cas Oorthuys. Die verzameling vormde de basis van een catalogus Fotografie die ik herfst 1984 maakte. De boeken van Oorthuys, waaronder enkele zeldzame, aangevuld met fotoboeken die ik in de loop van de jaren zelf verzameld had, maakten die catalogus een bijzonder hebbeding. Bijna dertig jaar later toonde een antiquaar in Rotterdam mij een exemplaar van de catalogus als onderdeel van zijn naslagbibliotheek. Een onverwachte eer.

Fieret gaf mij een collage-zelfportret om te gebruiken als omslag van de catalogus (zie foto).

Kort na publicatie van de fotografiecatalogus kocht ik de eerste foto’s van Fieret. Hij vroeg per foto 100 gulden. Op een stuk karton had hij zes ansichtkaartformaat foto’s geplakt; prijs: 150 gulden. De vijf foto’s plus het karton verkocht ik enkele maanden later aan een echtpaar uit de USA dat in foto’s handelde. Ze betaalden mij de prijs die ik vroeg $ 6.000,00! Fieret kreeg wat hij vroeg, en ik een paar maanden later ook. Ik wilde een Hasselblad, een droom sinds mijn tienerjaren, kopen om dagelijks een portret van mijn echtgenote te maken. Daar is het nooit van gekomen.

Na de eerste aankoop kocht ik nog vele foto’s van Fieret en probeerde enkele te verkopen aan de verzamelaar Bert Hartkamp. Hartkamp was zeer geïnteresseerd, maar handelde liever rechtstreeks met Fieret. De miljonair Hartkamp trok Fieret een poot uit. Hij vertelde mij dat hij een hele stapel foto’s van Fieret gekocht had, maar ‘natuurlijk’ niet de prijs betaalde die Fieret vroeg. Ik vond dat destijds, en ook nu nog, niet sympathiek.

Fieret woonde in een voormalige opslag van de Gemeentereiniging in de Weissenbruchstraat, Benoordenhout, Den Haag. Zijn buren waren niet blij met hem. Begrijpelijk. Het was er een bende.

Hele dagen fietste Fieret met emmers vol voer door de stad om de duiven te voeren zonder door te hebben dat de duiven met hem mee reisden van voerplek naar voerplek. De duiven die hij voerde op Het Plein waren dezelfde als de duiven die hij voerde aan de Vijverberg, De Plaats en het Lange Voorhout. Zieke duiven gingen mee naar de Weissenbruchstraat waar ze door Fieret verzorgd werden. Ik was er bij toen hij een duif met een ontstoken gat waar ooit een oog zat vanuit een tubetje zalfde om daarna -“Misschien is het voor mij ook goed” – vanuit hetzelfde tubetje een eczeemplek op zijn voorhoofd in te smeren.

Zijn  bed was een vuile matras op de grond. De muizen liepen tussen tientallen duiven rond. Overal lag rotzooi. De foto’s waren hoog opgestapeld; de meeste aan de randen aangevreten.

Uit angst dat zijn foto’s gestolen werden en door anderen geclaimd als hun werk zette hij met viltstift in joekels van letters meerdere handtekeningen en vele stempels op de foto’s. Sanne Sannes maakte nooit foto’s; die waren allemaal gestolen van Fieret. Zijn paranoia werd in de loop van de jaren steeds erger. Ik belde hem ooit op om een afspraak te maken en hij nam op met mijn naam als pseudoniem!

Het zal ongeveer 1988 geweest zijn dat galerie Nouvelles Images in het Westeinde, Den Haag, een overzichtstentoonstelling Fieret had. Ik vernam dat pas een week na de opening en vreesde te laat te zijn. Dat was ik niet. De prijzen waren deze keer bepaald in overleg met een conservator van het Gemeentemuseum Flip Bool: 1.500,- per foto. Er was nog niets verkocht. De aanzienlijke, maar terechte inflatie van de prijzen was misschien de oorzaak. Via mijn bemiddeling heeft het Amerikaanse handelaarsechtpaar de hele tentoonstelling gekocht. Ik was deelgenoot in deze deal en vroeg aan de galeriehouder of Fieret nog meer foto’s beschikbaar had voor de verkoop.

Dat had hij, maar de sluwe vos wist zich op smerige wijze te onttrekken aan zijn afspraken met de galeriehouder. Fieret bracht tien foto’s naar Nouvelles Images. De galeriehouder belde mij en we maakten een afspraak. Toen ik me meldde in het Westeinde vertelde de verbouwereerde galeriehouder mij dat Fieret de door hem geleverde ‘vijftien’ foto’s in de galerie nog een keer wilde bekijken en woedend alles meegenomen had omdat vijf foto’s zouden ontbreken.

Een leugenachtig spelletje.

Kort daarna belde Fieret mij. Hij wilde mij foto’s verkopen en we maakten een afspraak in de Weissenbruchstraat. Hij liet mij niet binnen. We bekeken de foto’s die hij aanbood in de kofferbak van mijn auto. Stapel na stapel; allemaal tweede en derde garnituur. Ik koos niets uit. Totdat hij weer een nieuwe stapel foto’s haalde. Allemaal topwerk. Ik bekeek die foto’s blijkbaar tevreden glimlachend. “Je staat mij uit te lachen!” Wat ik ook zei, Fieret hield woedend vol dat ik hem uitlachte, haalde de ketting met hangslot van zijn deur en kwam woest zwaaiend op mij af. Ik zag hem al de ruiten van mijn auto in slaan en wist niet hoe weg te komen. Gelukkig deinsde hij iedere keer terug als ik naar hem liep, waardoor ik de kans kreeg snel in mijn auto te stappen en weg te rijden. Ik reed een blok om, wilde hem alsnog tot bedaren brengen. Hij stond bij ondergaande zon midden op de Weissenbruchstraat, wijdbeens met het kettingslot naast zijn benen hangend en maakte een verlaten indruk. Ik ben zonder stoppen door gereden.

Het was de laatste keer dat ik hem ontmoette.

De slimmerik was pissig dat ik de mindere foto’s niet kocht en flikte mij wat hij Nouvelles Images flikte: ruzie forceren om zich los te maken.

Na deze uitbarsting verkocht hij meerdere keren foto’s aan de Amerikanen. Mijn echtgenote was aanwezig bij die transacties. De ‘bezichtigingen’ vonden plaats in de brasserie van Pulchristudio waar Fieret tientallen foto’s op de grond legde en af en toe over zijn geïmproviseerde tentoonstelling wandelde.

De Amerikanen haakten na een paar bezoeken af omdat Fieret niets bijzonders meer aanbood.

Ik heb hem in de jaren daarna op afstand oud zien worden en verpauperen. Hij speelde in de Hoogstraat panfluit, op straat zittend voor slagerij Dungelmans. De fluiten maakte hij zelf. Hij was een verdienstelijk fluitist.

De Benoordenhoutse buren wisten Fieret uit zijn bende in de Weissenbruchstraat te jagen. Hij sleet zijn laatste jaren in een vrijstaand huisje in Wassenaar.

Na zijn dood werden daar honderden foto’s en duizenden negatieven gevonden.

Was hij, zoals Dick Maan zei, de beste fotograaf van Nederland? De beste fotograaf, schilder, beeldhouwer, auteur…het is iedere keer weer een nonsenskwalificatie. Gerard Fieret legde met zijn zwart-wit foto’s de Haagse zelfkant in de jaren zestig van de 20ste eeuw op unieke manier vast. Zijn foto’s waren brutaal en technisch imperfect. Door die imperfectie werden de zwart-wit foto’s schetsmatig Rembrandtiaans. Een zilvergelatinedruk Rembrandt, niet door beheersing van de techniek maar juist door de imperfectie. Hij heeft ook geprobeerd in kleur te fotografen maar kwam niet verder dan mislukte kiekjes.

Amerikaanse verzamelaars zijn kritisch op de technische kwaliteit van foto’s. De foto’s van Fieret moeten zo uniek zijn, dat de technisch slechte staat zijn relevantie verloor in de USA. Alleen dat al bewijst wat een unieke fotograaf hij was.

Vanuit technisch oogpunt was hij een slechte fotograaf, maar wel een fotograaf met een heel persoonlijke signatuur. Recht voor zijn raap, platvloers en brutaal. Als je eenmaal foto’s van Fieret gezien hebt, zal je daarna foto’s van hem altijd herkennen als echte Fierets.

Er is mondiaal slechts een handvol fotografen van wie dat ook gezegd kan worden.

Bertus G. Antonissen