Sjeng -appelmoes aan het plafond

Hits: 137

Mijn vader (Sjeng) werd 1 september 1913 in Sittard geboren uit een boerengezin. Was het wel een boerenbedrijf? Dat weet ik niet. Ze hadden in ieder geval een boerderij. Die stond hartje Sittard, langs de Rijksweg Noord op de kruising van de weg richting Limbricht, ten westen van de wijk Overhoven. Later zou er op die plek een ziekenhuis gebouwd worden. Dat ziekenhuis is ook al weer weg.

Als jong kind heb ik de boerderij nog meegemaakt. Mijn oma, Duitse van oorsprong, was een kleine, magere vrouw met een doorgroefd gezicht, altijd in het zwart gekleed, sjaaltje over haar hoofd. Klein en lief. In mijn jonge ogen was ze erg oud. Een van mijn vaders broers woonde nog bij haar, ome Frans. Beer van een zachtaardige kerel. Hij gaf mij chocola.

Er waren een paar varkens; de geur van het voer maakte mij hongerig. Ik houd nog steeds van die geur; ook van de geur van ingekuild gras.

Oma overleed op haar 84ste; ik was een jaar of negen. De exacte datum zal ongetwijfeld te vinden zijn via het archief waar de gemeente Sittard onder valt; evenals de meisjesnaam van mijn oma. ‘s Nachts werd er door de politie bij ons thuis aangebeld en op de deur gebonsd om het nieuws te brengen dat oma ernstig ziek was en mijn vader met spoed naar Sittard moest. Ik kwam huilend op school aan.

Mijn vaders vader heb ik niet gekend. Hij overleed toen mijn vader 14 was. Verdiende hij zijn geld als boer? Geen idee.

Voor zover ik weet had mijn vader alleen broers; zes of zeven. Hij was de jongste. Dat zal hij geweten hebben ook. Van alle ooms kan ik me, behalve Frans, drie helder herinneren: Peer (Pierre), Joop en Louis. Peer, mijnwerker, en Joop, kroegbaar met een cafe aan de Rijksweg, waren overwegend zachtaardige mannen. Ik herinner mij dat Peer ooit te keer ging tegen zijn vrouw omdat ze een spiegelei te hard gebakken had. Ze kreeg de wind van voren alsof ze iets verschrikkelijks gedaan had. Ik begreep er niets van en vond dat hij zich aanstelde. Het overviel mij ook; zo’n aardige man en dan ineens… Een Cremers trekje? Mijn vader bezat ook beide kanten.

Ik logeerde bij Peer en Mia (?) een hele zomervakantie. Het trappenhuis naar de slaapkamers stonk naar urine. Tante kwam ‘s morgens met een volle po de trap af om die in de keuken gootsteen leeg te gooien. De WC was in een hok buiten, aan het begin van de langwerpige tuin. Er was geen licht. Een houten constructie met een rond houten deksel. Je kont veegde je af met kranten. Handen wassen, was er niet bij. Ik weet nog dat ik mijzelf een keer bij het afvegen helemaal bevuilde en krant na krant nodig had om van de smeerboel af te komen. Schaamte en paniek. Zoon Frans, later als homo de doodgezwegen risée van de familie, een jaar of zeven ouder dan ik, maakte vanaf mijn eerste logeerdag werk van mij. Dag-in-dag-uit wilde hij aan mijn piemel zitten.

Waarom praat je daar als kind met niemand over?

Louis, slager in Limbricht en loco-burgemeester van Sittard, was een bullebak van een kleinsteedse notabele. Een klassieke slager in zijn bebloede witte jas, met dikke buik en harde stem. Later vond ik dat hij op Churchill leek. Als loco-burgemeester een kolos in zijn donkere pak met vest. Een ouderwetse provinciestad-autoriteit. Onprettig intimiderende man. Zijn vrouw, tante Mia, was het toonbeeld van aardigheid en moederschap. Een groot gezin van meer dan tien kinderen. Ik logeerde daar als knul van 14 jaar en hielp in de slagerij en op het slachthuis waar ik bloed dat spoot uit de halsslagader van stervende varkens in een emmer opving. Het ging mee naar de slagerij om bloedworst en balkenbrij te maken. Balkenbrij: heerlijk. Werd altijd vanuit Sittard meegenomen naar Den Haag, waar mijn vader dat op zondagmorgen plak na plak bakte. Smullen; balkenbrij met Tip-Top of King Corn wittebrood. Volgens mij maakte die slachthuiservaring nauwelijks indruk op me. Herinner me het gillen van de varkens, maar voelde er toen niets bij.

Tijdens die vakantie maakte ik voor het eerst de Limburgse onhebbelijkheid mee met iedereen van boven de rivieren, iedere niet-Limburger, de draak te steken. Dat deed mijn toch al kwetsbare zelfvertrouwen geen goed. Neef Frans- er zijn veel ‘Fransen’ in de familie Cremers – , de oudste zoon en werkzaam in de slagerij was een leuke kerel. Vrouwenversierder. Ik ging mee bestellingen bezorgen en heb heel wat uren wachtend in de auto doorgebracht. ‘Zo, even op de bank geweest’, pochte Frans na terugkeer.

Eigenlijk weet ik van mijn vader’s voorgeschiedenis nauwelijks iets. Nooit werd gesproken over zijn jeugd en adolescentie in Limburg. Nooit vertelde hij iets over zijn ouders. Niets over het werk van zijn vader, of over de handel en wandel van zijn broers. Hij vertelde nooit iets over zichzelf. Ook niets over de oorlogsjaren in Den Haag. Je zou denken dat zijn jeugd op de boerderij, opgroeien in katholiek Limburg, het vroege overlijden van zijn vader, zijn scholen – ik weet alleen dat hij op dezelfde lagere (?) school zat als Toon Hermans – en zijn beroepsopleiding voldoende vertelstof bood Het is allemaal voor mij verborgen gebleven.

Doordat het contact met mijn ouders in 1975 verbrak, heb ik op hogere leeftijd niet de kans gehad alsnog vragen te stellen. Als jongeman probeerde ik een enkele keer wat te weten te komen, met name over de oorlog. Er werd niets verteld.

Ik realiseer mij dat mijn kinderen nooit vragen stellen over mijn voorgeschiedenis; ik vertel ze wel bij stukjes en beetjes een en ander.

Was mijn opa voltijds boer, of was er een andere bron van inkomsten? Mijn vader was 16 jaar toen de depressie van 1929 begon. Hij werkte als kleermaker. Een beroep dat tegenwoordig alleen nog in Nederland wordt uitgeoefend door Turken en Iraniërs. Mijn moeder, Gijsje Verheul, werkte als winkelbediende. Ik weet niet wat voor branche. Ze vertelde ooit over de lange werkdagen en de uitbuiting tegen lage lonen. De hele dag op de benen, geen pauzes, zelfs geen plaspauzes. Ze moest ‘het’ de hele dag ophouden.

Ik ben van de generatie die opgroeide met eindeloze verhalen over armoe in crisistijd en honger in de winter ’44/’45. Ik ben ook van de generatie met ouders die zich psychologisch duiden van gedrag, hoe beperkt dan ook, niet eigen maakten. Volgens mij was ’emotie’ nooit onderwerp van gesprek. Ik heb mijn ouders nooit zien huilen. Ik heb ze nooit ruzie horen maken. Er werd nooit gevloekt.

Gijsje werd 1915 in Maastricht geboren. Sjeng en Gijsje kwamen elkaar dagelijks tegen op weg naar hun werk. Uiteindelijk zouden ze meer dan 70 jaar samen zijn. Ik zie nog een foto op mijn netvlies: pico bello – naast ‘nondeju’ een stopwoord van mijn vader – gekleed flaneren ze door Maastricht. Een chique stel.

Nederlands hervormde Gijsje, haar ouders kwamen oorspronkelijk uit Helmond, werd katholiek om met mijn vader te kunnen trouwen. Vele jaren later liet ze zich aan tafel ontvallen dat haar ouders die geloofsverandering en mijn vader nooit geaccepteerd hebben. Een van de weinige keren dat ik meemaakte dat mijn vader boos zijn stem verhief tegen mijn moeder.

Nooit maakte ik conflicten tussen beiden mee. Af en toe zei Sjeng op dwingende toon: “Gijs, kom eens mee naar de keuken”. De deur ging dan achter hun dicht en de kinderen zaten zwijgend gespannen in de kamer te wachten op wat gebeuren ging. Niets. Er was slechts doodse stilte of zacht, onverstaanbaar gefluister uit de keuken. Een geheimzinnige sfeer.

Tijden de depressie verhuisden ze dus naar Den Haag. Volgde mijn vader daar de politie-opleiding of deed hij dat in Limburg? Ze kwamen als een soort gastarbeiders naar het westen en zouden nooit meer naar Limburg terugkeren. Niet fysiek; wel emotioneel, want die ouwe bleef altijd een sentimentele Limburger (vooral als hij gedronken had). We groeiden op met Jo Erens en Frits Rademacher. Sommige van de Limburgse liedjes kan ik nog, bijna integraal, (mee)zingen. Mijn moeder sprak geen Limburgs dialect. Dat was haar ouders te min. Mijn vader hoorde ik dialect spreken in Limburg, of als we bezoek hadden uit Limburg. Hij sprak, zoals veel Limburgers, een aardig woord Duits. Mede doordat zijn moeder Duitse was.

Ons gezin vormde in de Copernicusstraat in Den Haag een fundamentalistisch katholieke, geïsoleerde enclave.

Ik zie mijn vader nog met zwaaiende gummiknuppel – of de ploertendoder met stalen kern die in de gangkast klaar lag om ons te kastijden – door de Copernicusstraat rennen achter een tapijtventer aan. De man had zijn voet tussen de deur gezet toen mijn moeder hem dicht wilde doen. Een verkeerde actie van de venter. Hij moest dit bekopen met een harde sprint de straat uit; op de vlucht voor mijn vaders toorn. Ik zag het allemaal verbaasd en lacherig aan.

Als hij op mij driftig was, was het niet om te lachen. Zijn kop werd dan, met scheve mond en dunne lippen, angstaanjagend. Ik ben altijd bang voor hem geweest. Soms vertederde hij mij ook. Angst overheerste. Pas vele jaren later begreep ik: zijn angst werd door hem geprojecteerd op de kinderen. Hij was ook nooit geïnteresseerd in wat zijn kinderen te melden hadden. De desinteresse straalde van zijn gezicht. Desinteresse, zelfs minachtende ergernis was broer F’s deel. Pijnlijk om te zien, en dat terwijl F. zo zijn best deed een goede indruk te maken.

Sjeng is niet goed geweest voor mijn zelfvertrouwen, door zijn schelden, dreigen en af en toe slaan. Ik at onderdanig uit zijn hand, niet uit respect, maar uit angst. Met mijn boosheid kon ik geen kant uit. Die moest ik voor mij houden uit vrees voor de vaderlijke overheersing. Zelf-analyserend denk ik dat ik die combinatie angst-boosheid mijn hele leven met mij gedragen heb. Het maakte mij weinig assertief en tegelijk agressief. Agressie is gebrek aan assertiviteit. Een belemmering voor sociale vaardigheid. Ik was, zeker tegenover mensen van buiten het gezin, onderdanig vriendelijk. Glimlachte altijd naar iedereen. Daar ergerde die ouwe zich weer kapot aan.

Mijn broer G. en ik waren een jaar of 9, 10, toen we voor het slapen gaan bij elkaar op ontdekkingstocht gingen. De eerste keiharde plassers dienden zich aan. Ik was vroeg rijp en veel eerder dan G. en of klasgenootjes gezegend met een bos schaamhaar en op de meest ongelegen momenten priemende erecties. Sjeng betrapte G. en mij bij ons gepiel. Wat onschuldige jongensgedoe was, kreeg ineens een loodzware lading. Van wie hadden we dat geleerd, wilde hij weten. Mijn peetoom werd genoemd, de kleermaker waar Sjeng af en toe klusjes voor deed, neef Frans uit Sittard? None of the above! We ondernamen deze ontdekkingsreis helemaal op eigen ‘drang’. Maar goed, Sjeng liet in ieder geval de in zijn ogen mogelijke daders, twee oudere vrijgezelle heren en een duidelijk homofiele neef, de revue passeren. Een paar jaar later noemde de kleermaker, een heel sympathiek Italiaan, mijn vader een ‘oude geilaard’. Een homo die mijn vader een geilaard noemde. Huh?

Vanaf mijn puberteit leerde ik van mij af bijten. Verbaal; niet fysiek. Dat heeft nooit in mij gezeten. Wel de agressieve fantasie, niet de daad.

Vreemd genoeg kan ik mij niet herinneren dat ik ooit met mijn broers en zussen over de relatie met Sjeng sprak. We gingen allemaal onze eigen gang. F. was tien jaar ouder dan ik en al vroeg het huis uit; getrouwd met O..

E. was mijn kleine zusje, ook al schelen we slechts twee jaar. G., anderhalf jaar ouder dan ik, ging helemaal zijn eigen gang en met zus J., bijna vier jaar ouder, sprak ik weinig. We waren geen gezin van diepgaande gesprekken. Iedereen leefde zo zijn eenzaamheid. Of laat mijn geheugen mij in de steek? Zo erg kan het toch niet geweest zijn? Of toch? Ik weet het niet.

Je zat aan tafel om te eten. Sjeng aan het hoofd van de tafel en ik vaak aan het andere einde. Vaste plaatsen zoals ik later op meerdaagse congressen meemaakte. Dat verstoorde ik vaak door tijdens de pauzes steeds op een andere plaats te gaan zitten. Vragende, bijna teleurgesteld ontheemde blikken waren dan mijn deel.

Er was een spreekverbod aan tafel, dat ook toen de kinderen ouder werden, werd gehandhaafd. Ik leerde daar te snel – “DOORETEN!” – en zwijgend te eten. Bovendien: je bord moest leeg. Eenmaal autoritair in je jeugd erin geramd, blijft je dat je hele leven achtervolgen. Mijn ouders spraken wel met elkaar. De onderdanen zwegen.

Gesprekken tussen mijn ouders gingen vaak over de echtscheidingsperikelen van Stuurop, de eigenaar van de Smyrna wolzaak in het Westeinde (telefoon 182093; waarom weet ik dat nog?) waar mijn moeder werkte. Die hele procedure werd maand na maand bij ons aan tafel besproken. Tot vervelens toe. De stress van Stuurop’s echtscheiding bedierf de sfeer bij ons aan tafel. Voor mij in ieder geval. Het geheugen presenteert zich concreet en gedetailleerd, maar dat wil niet zeggen dat de feiten ook kloppen.

Na het eten ontstonden, vooral toen we allemaal wat ouder werden, soms geanimeerde gesprekken. Ik genoot daar van. Het is helaas zo dat ik, als ik niet goed oplet, nog steeds te haastig mijn eten naar binnen werk, maar aan die tijd heb ik ook overgehouden geen groter plezier te kennen dan langdurig natafelen. Zelfs als er niets te eten valt ontvang ik bezoek nog steeds het liefst aan tafel, Met de ellebogen op tafel en lange gesprekken ben ik in mijn element. Het gezelschap moet niet groter zijn dan vier of zes. Verjaardagen, in een volgepropte woonkamer, ontvlucht ik het liefst. Recepties? Weg is Ton. Niets voor mij.

Langzaam groeide bij mij de weerzin tegen de manier waarop mijn vader het gezellige natafelen verziekte. Hij nam kort aan gesprekken deel, als hij er al aan deel nam. Ik genoot van de gesprekken, maar weet niet meer waar ze over gingen. Bij Sjeng zag je de interesse snel afnemen. Met een: “Zullen we danken?” nam hij het voortouw tot gebed en, meteen na het gebed, stond hij op om de tafel af te ruimen. Einde gesprek en voor mij bron van ergernis. Tot ik het niet meer hield en losbarstte: “Iedere keer wanneer we leuk in gesprek zijn moet u (ik zou het niet in mijn hoofd halen ‘jij’ te zeggen) weer zo nodig bidden en de tafel afruimen! Ik bid niet meer en ik ga ook niet meer naar de kerk!”

Zo, dat was er uit. Sindsdien nam ik niet meer deel aan het bidden voor en na het eten, maar bleef met gevouwen armen rechtop zitten. Verwijtende blikken van mijn zussen en broer G. waren mijn deel. F. was toen al de deur uit.

De reactie van mijn vader en moeder kan ik me niet herinneren. Ik zie wel nog de boze, niet heel boze, blik van mijn vader die met gebogen hoofd biddend af en toe zijn ogen open sloeg en mij schuin omhoog aankeek. Een ‘Daar heb je hem weer’ blik die ik ook zag toen ik na een Brandpunt uitzending, dat TV-programma bestaat al minstens 50 jaar, over veetransport geëmotioneerd uitschreeuwde: “Ik eet geen vlees meer”.

Nieuws en actualiteitenrubrieken wilde Sjeng vaak niet horen of zien. “Het is toch alleen maar ellende”. Hij was een zwartkijker. Als jongen van een jaar of 16 maakt nieuws je niet somber. Misschien is dat wel bron van wrijving tussen vaders en zonen: ze kunnen elkaars somberte-luchtigheid niet uitstaan. Misschien kwam het door zijn werk bij de politie, maar Sjeng zag de wereld niet met optimistische ogen, integendeel. Ik heb heel veel ouder moeten worden voordat ik zijn angst leerde zien als bron van zijn strenge, soms ronduit lelijke gedrag tegen zijn kinderen.

Begrip leidt niet vanzelfsprekend tot vergiffenis. Er zijn zaken die ik hem niet vergeef. Zijn schelden, in de Wolfhezestraat al toen ik kleuter was, voor ‘dikkop’ vergeef ik hem niet. Daarvoor schold hij te vaak, bijna systematisch. Het had een koosnaam kunnen zijn; dikkop als voorstadium van kikkervisje. Een kleintje. Het was geen koosnaam. Ik was als kind een bolletje, blijkbaar met een forse schedel; een dikkop. Wanneer Sjeng mij uitschold zag ik de weerzin en ergernis in zijn gezicht.

Vreemd dat ik hem schrijvend Sjeng noem, want dat deed ik bij leven nooit.

Zelfs nu, als pensionado van 68 jaar krenkt dat dikkop mij nog en knaagt aan mijn zelfvertrouwen. Niet meer zoals vroeger toen ik op verjaardagen en andersoortige feestjes of recepties niet tussen mensen in durfde te gaan staan uit vrees dat mijn schedel buiten alle proportie op zou vallen. Het moet ongeveer 1966 zijn geweest toen ik met vriend Ronald L. in de Prinssestraat naar een hoedenzaak ging om een bivakmuts te kopen (die waren toen tegen de kou; nu voor overvallen). De verkoper trok zijn grootste model met moeite over mijn hoofd met ‘Zo, dan kom ik ook eens van de grote modellen af’. Niet dus; ik ben vol schaamte de zaak uit gelopen. Het hoge woord moet er maar uit, zo voelt dat echt nog steeds: ik heb maat 63 van hoed. Menig vrouw wenst zich een taille van die maat.

Zus J. schold mij aan tafel voor dikkop uit. Ik was een jaar of 17 en zat al drie jaar op boksen bij Boksakademie Karel de Jager een de Laan van Nieuw Oost Indië (er zit daar nu een fysiotherapie praktijk). Mijn: “De eerste de beste die mij nu nog voor dikkop uitscheldt sla ik de tanden uit de bek!” maakte een definitief einde aan dat schelden. Niemand reageerde aan tafel, zelfs mijn vader niet.

Ik kan Sjeng ook niet vergeven hoe hij F. dwong zich geheel te ontkleden en in de gang te gaan staan. Wij, de ‘kleintjes’, werden erbij geroepen: “Kijk, daar staat jullie grote broer, die spijbelt van school!” Nazi-methode. Dat had niets meer te maken met drift, maar met vernederen. Ik wil dat niet begrijpen. Te schandalig.

F. was echt onze oudere broer; geboren in 1938. Het eerstvolgende kind, J., werd in 1946 geboren. De overige drie in de jaren 47-50. F. werkte en ging ‘s avonds naar school. Sjeng ontdekte dat hij spijbelde en koos als straf voor deze ontluistering.

Langdurig te keer gaan, een woedend gezicht met dunlippige, scheefgetrokken mond, dreigen met slaan en af en toe de daad stevig bij het woord voeren….zo zie ik Sjeng. Ik zie ook zijn onmacht. De scheve bek die hij trok toen hij mij op een koninginnedag temidden van de drukte keihard in mijn gezicht sloeg. Ik was nog heel jong. Een jaar of zes. De mannen die zittend op een muurtje mijn vader uitscholden, zou ik zonder een moment twijfel in hun nek hebben gesprongen als ze mijn vader wat aan probeerden te doen. Zo gaat dat bij een kind. Solidair tegen de stroom in.

Zelf was ik er niet getuige van, mijn zwager Th. wel, dat mijn vader zus E. door de gang schopte omdat ze te laat thuis kwam.

Sjeng was een belemmering voor hechte contacten in het gezin. Mijn moeder dreigde met hem: “Ik vertel het pappa hoor!” Een prima methode om ons in het gareel te houden, want ‘pappa vertellen’ betekende klappen krijgen. Ik heb haar nooit horen protesteren tegen de toorn van die ouwe.

We hadden in de Wolfhezestraat een badkamer met ligbad. In de Copernicusstraat moesten we het doen met de gootsteen in de keuken en een wastafel met koud water in één van de slaapkamers in de uitbouw langs de tuin. Op het binnenplaatsje stond een zinken bad tegen de muur, in weer en wind. Dat bad werd eens per week in de keuken gezet en volgegooid met door een gasgeiser verwarmd water. Als je de eerste was, schroeide je je huid bijna aan het hete water. Als laatste was je de pineut: vette, zwarte randen langs de waterrand en koud water. Wij kinderen hebben keer op keer gevraagd om een echte douche. Er was een prima plek voor: het binnenplaatsje van 3 vierkante meter. Kwestie van overdekken en betegelen. Water, geiser, afvoer…alles was dichtbij.

Er was jaar in jaar uit geen budget voor, ondanks dat mijn vader een fulltime baan bij de politie had, bijverdiende als kleermaker en mijn moeder vier middagen en de hele zaterdag werkte bij Stuurop. De hele middelbare school betaalde ik mijn eigen kleding en schoolboeken van het geld dat ik bij Florencia verdiende. Ik was de enige die ‘lang’ naar school ging. Alle anderen gingen heel vroeg werken en betaalden kostgeld toen ze nog thuis woonden. Die douche had gemakkelijk gemaakt en betaald kunnen worden, maar mijn Sjeng en Gijsje legden prioriteit bij meerde keren per week tot sluitingstijd de kroeg bezoeken op de Valkenboschweg. En dan na sluitingstijd regelmatig allemaal nieuwe ‘ooms’ en ‘tantes’ mee naar huis namen om nog even door te zuipen.

Ik neem het Sjeng nu nog steeds kwalijk dat we geen douche hadden. Toen alle kinderen het huis uit waren, verhuisden ze meteen naar een luxe appartement met fraaie badkamer.

Sjeng had alle rijbewijzen, van motor tot vrachtwagen. Ik zag foto’s van hem als politieman op een Harley Davidson. Volgens mij een foto van vlak voor of in het begin van W.O.II; of reed de politie toen nog niet op H.D.’s? De familie Cremers had zelf nooit een auto. Sowieso een zeldzaamheid in die tijd. Ik weet nog dat de Copernicusstraat geasfalteerd werd. De trots van de kinderen in de straat. De eerste twee dagen na het asfalteren mochten er geen auto’s of motoren in de straat. We hielden daar persoonlijk toezicht op. Een jongen uit de Columbusstraat die op ons asfalt wilde rolschaatsen heeft moeten rennen voor zijn leven. Later stond hier en daar een auto in de straat; vaak met een afdekhoes erover. Nu lijkt de Copernicusstraat heel smal met aan beide kanten geparkeerde auto’s.

We hadden als een van de eersten TV in huis, 1958, en zagen Brazilië wereldkampioen voetbal worden in Zweden. Ik keek samen met G. en mijn vader naar de finale. Brazilië won van Zweden en de Brazilianen liepen een ereronde met de Zweedse vlag. De sportiviteit van dit huldebetoon imponeerde ons.

Nooit gingen we op vakantie met onze ouders. De enige dagtrip die ik me kan herinneren was een dag Drievliet. We gingen er, vanaf de Soestdijksekade, met een boot naar toe.

Een belevenis. Gezamenlijke, meerdaagse vakanties werden niet ondernomen. We werden tijdens de schoolvakantie gedropt bij familie in Limburg. Ik genoot van de treinritten. Er was toen nog een restauratiecoupé. Een archaïsch woord. Daar kregen we wat te drinken; ik koos altijd appelsap. Het hele gezin, toen we nog allemaal samen waren, ging de zomermaanden met de, vaak overvolle, bus naar het strand bij Kijkduin. Daar toonde mijn vader, het waren nog preutse tijden, zijn ondeugd door vanuit ver in zee te zwaaien met zijn zwembroek. Op Kijkduin was een uitspanning met hotel van het echtpaar Kuiper. Hij was getrouwd met een Hongaarse met rode appelwangen. Een nerveus vrouwtje. Schoonmoeder, gerimpeld en in het zwart zoals mijn oma in Sittard, was er ook altijd. Mijn moeder sprong tijdens drukte in de zomermaanden bij.

Nadat we allemaal ‘de deur uit’ waren, zijn mijn ouders vele jaren achtereen op vakantie geweest naar Oostenrijk. Altijd naar hetzelfde adres. Ik heb dat van horen vertellen.

Ik ken mijn vader nauwelijks. Nooit spraken we over wat hem beroerde. Als er al gesproken werd dan ging het over ditjes en datjes. Is dat tegenwoordig anders dan toen? Als kind vraag je niet, ik realiseer mij niet te weten hoe dat bij anderen ging, aan je ouders hoe ze over iets denken of wat ze voelen. Ik heb geprobeerd te weten te komen hoe ze WW.II doorkwamen, maar heb nooit aangedrongen. De deur werd meteen dichtgegooid. Was er iets te verbergen, of was het te veel moeite, desnoods op kinderniveau, iets te vertellen? Sjeng vond gesprekken altijd al snel gelul. Ja, als hij een borrel op had en dan met kroegvrienden. Dan wel. Ik heb hem nooit in vertrouwen genomen. Daar was het niet veilig genoeg voor. Daarom vertelde ik hem nooit over Broeder Modestus. Ouders die hun kinderen geen warme, veilige omgeving geven om op te groeien, maken die kinderen tot gemakkelijk slachtoffer van broeders Modestussen.

Het leest als een zware beschuldiging. Als het waar is dat een volgroeid persoon voor 70% uit aanleg bestaat, dan relativeert dat beschuldigingen aan ouders. Mijn broer G. groeide op tot een persoon totaal verschillend van mij. Hij had nauwelijks last van Sjeng.

Vaak had ik het gevoel dat hij een hekel aan zijn kinderen had. Ik ergerde hem. Vooral mijn ongeduld irriteerde hem. Voor F. geneerde hij zich. Dat was overduidelijk aan zijn gezicht te zien. De weerzin was wat mij betreft wederzijds. De zaterdagavond in een halve cirkel rondom de TV, met z’n allen kijkend naar het testbeeld in afwachting van het journaal, maakte het bestaan leeg. De Johnny en Rijk show, Een avond in St. Germain dés Prés met Dorus en ‘meneer Cor Steijn’, de Zaterdagavondakkoorden met Teddy en Henk Scholten, ik kon er  niet meer tegen en trok me terug in ons (G. en mijn) slaapkamertje met het stapelbed. Daar las ik mijn zelf gekochte Vrij Nederland en Volkskrant. Mijn ouders waren geabonneerd op Het Binnenhof, dagblad voor katholiek Den Haag, en de Katholieke Illustratie. We hadden van Reader’s Digest ook Het Beste.

Ik bezocht ooit het politiebureau hartje Schilderswijk aan de Van der Vennestraat. Mijn vader was daar wachtcommandant aan het einde van zijn politieloopbaan. Een collega vertelde bewonderend over mijn vader. Hij wist problemen altijd met geduld en een luisterend oor op te lossen. Nooit een onvertogen woord; vooral veel tact en rust. WAT??! WIE??! Mijn vader? Was mijn vader daar in die, toen ook al, moeilijke wijk met veel agressie en onrust een baken van rust en begrip?

Durfde hij thuis wel? Leefde hij zich thuis uit? Kwam thuis de opgekropte frustratie er uit?

Voor mij was het geen nieuws dat hij een vriendelijke kant had. Vooral als hij een borrel op had. Hij had een vrolijke dronk. In de kroeg van mijn zwager Th. en mijn zus J., ik werkte daar de weekends 1966-1969, waren, waarschijnlijk zoals in iedere buurtkroeg, enkele klanten die door de rest van de klandizie werden uitgekotst. Dat waren altijd precies de mensen bij wie mijn vader aanschoof en aan wie hij drankjes aanbood. Ik zag dat als pesterij van mijn vader. Hij maakte een lange neus naar Th., J., mij en de andere klanten. Later, veel later, bedacht ik dat zijn motieven zuiver en menselijk waren. De man die aan de Van der Vennestraat verzoenend buiten de partijen stond, maar thuis zich voornamelijk liet drijven door negatieve emotie, was in de kroeg ook de grote verzoener.

Ik werkte vrijdagavond vanaf 23.00 uur, zaterdag en zondag in de kroeg aan de Van Vredenburchweg, op de grens tussen Den Haag en Rijswijk. Op maandag-, woensdag- en vrijdagavond ging ik naar het Avondlyceum Noctua aan de Johannes Bildersstraat. Daarnaast had ik een fulltime baan bij het Ministerie van Onderwijs, Nieuwe Uitleg. Een druk bestaan. In de jaren 1967 – 1969 ging ik ongeveer eens per maand een weekend naar London; altijd naar hetzelfde hotel in de Carlylestraat bij Kings Cross. In 1970 slaagde ik glansrijk voor het staatsexamen HBS-A, 13 vakken, en had dat jaar het hoogste gemiddelde cijfer op Noctua. Ik was de eerste en enige uit ons gezin die een middelbare school, nu vergelijkbaar met VWO, afmaakte en dan ook nog met een schitterende lijst.

‘Dan kan je nu zeker dokter worden’, meende Sjeng. Ik had geen ambities in die richting, maar speelde wel met de gedachte te gaan studeren. Als de dag van gisteren herinner ik mij waar ik hem dat vertelde: hij zat in de serre van onze woning in de Copernicusstraat op een toen modieuze Pastoe (?) rotan stoel: “Als je maar niet denkt dat ik dat betaal!”

Die gedachte was helemaal niet bij mij opgekomen. Ik betaalde al jaren alles zelf en deed nooit een beroep op mijn ouders. Bij Sjeng was ‘als je maar niet denkt dat ik betaal’ blijkbaar het eerste dat door zijn hoofd schoot. de LUL, denk ik nog steeds. Jarenlang de kinderbijslag die hij voor mij kreeg naar de kroeg gebracht en dan nu zeiken over studiekosten.

Ik begreep hem niet, nog steeds niet, maar acht me in staat zijn gedrag een beetje te duiden. Ik ben milder geworden, maar zijn schelden, het stelselmatig ondermijnen van mijn zelfvertrouwen, zijn obstructie van de gesprekken aan tafel, zijn dreigen en slaan, de smerige vernedering van F., zijn kroegbezoek ten koste van een douche voor het gezin, de ruimte die hij, onbewust, creëerde waar een Benedictijner broeder gretig gebruik van maakte – heeft hij mij ooit aangehaald? Ik kan me er niets van herinneren – en dat idiote ‘als je maar niet denkt dat ik betaal’, neem ik hem kwalijk.

Ook Sjeng: verslaafd aan zijn vrouw Gijsje. Complete paniek wanneer hij zonder haar moest. Ze kwam ooit, let wel in het tijdperk dat mobiele telefoons nog niet bestonden, later van een verjaardagsfeestje – waarschijnlijk ging hij niet mee ivm zijn werk in wisselende diensten – thuis dan waar Sjeng op gerekend had. Resultaat: schaal aan diggelen en appelmoes aan het plafond in de keuken.

Op hoge leeftijd reisde mijn moeder naar Canada om haar zus Antje te bezoeken. Mijn vader was zes weken alleen thuis. Mijn beide zussen hielden hun hart vast voor deze periode en later hoorde ik dat ze opgelucht waren dat Sjeng, tegen de verwachtingen in, stevig door deze periode kwam.

J. en E. vertelden ooit dat “Ma veel harder is dan pa”. Kan ik dan niets positiefs over hem zeggen?

Het geheugen is niet betrouwbaar, ook al ben je nog zo zeker van je zaak. Opgroeien is interactie met langzaam afnemende machtsverhoudingen. Het resultaat van de opvoeding wordt voor minstens 2/3 bepaald door je aanleg. Het is door falen van het geheugen en doordat je nooit precies weet in hoeverre bij jezelf aanleg een rol speelde, bijna onmogelijk de rol van je ouders en hun wijze van opvoeden te evalueren. Hoe extremer de opvoeding, hoe beter evaluatie mogelijk is. Ik heb geen positieve herinneringen aan mijn vader. De rol van mijn moeder is mistig. Was ik slachtoffer van een extreem slechte opvoeding? Absoluut niet. Ik zou mijn ouders tekort doen en wegduiken voor mijn rol als ik dat zou zeggen. Er zijn krassen op mijn ziel, maar geen krassen die mij ontslaan van volledige verantwoordelijkheid. Het had allemaal wel anders kunnen lopen.

Nu zie ik Sjeng voornamelijk als ontwapenend in zijn kwetsbaarheid. Voor hem geldt hetzelfde als voor mij: je bent zelf altijd verantwoordelijk voor de keuzes die je maakt. Tenzij er sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Dat is bij Sjeng noch mij het geval. Volgens mij…

 

2016.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.