Multatuli over sociale media

In concurrentie met sociale media zijn conventionele media bereid onbezonnen oprispingen van snotneusjes op Twitter of Facebook een podium te bieden. Je maakt dan mee dat een kind als Christa Noëlla die ‘altijd’ met respect deelnam aan de dodenherdenking van 4 mei ineens landelijk nieuws is als ze besluit ‘Geen vier mei voor mij’ omdat ze het maar een hypocriet gedoe vindt. Ongecensureerd en ongenuanceerd blaten op Facebook krijgt met hulp van De Volkskrant een status die het helemaal niet verdient. Een Nederlandse twintiger met Marokkaanse roots mag in diezelfde Volkskrant janken dat ze geen Nederlander meer wil zijn, en een leeftijdsgenootje van deze Nadia Ezzeroili, Annet Veenstra krijgt alle ruimte zich laatdunkend discriminerend uit te laten over ‘de oudere generatie’.

Er is geen kritische, seniore zeef meer die deze kinderen tegen zichzelf beschermt. Anna Stein die onder de aanstellerige Afrikaanse naam Anousha Nzume een Amerikaans product imiteerde (plagieerde) in het boekje Hallo witte mensen is weliswaar geen kind meer, maar heeft nog alle stampvoetende, racistische, discriminerende en bevooroordeelde kenmerken van een puber.

En dat allemaal dankzij de digitale podia. De ultieme democratie en VvMU (ja, zoek die maar op via Google) waar bloggers zoals ik dankbaar gebruik van maken. Als je niet uitkijkt, loop je het risico nerveus en zelfs opgefokt te raken van alle halfbakkenmeningenexhibitionisme.

Gelukkig manifesteren zoveel mensen zich op het digitale Hyde Park Speaker’s Corner, dat tweets en Facebook postings een beperkte houdbaarheid hebben. Tenzij kranten en praatprogramma’s in hun onderwerpenarmoede onderdelen uit de digitale stortvloed vissen en ze een iets langer leven gunnen.

Multatuli zag eind vorige eeuw deze bui al hangen toen hij schreef (in ‘Max Havelaar aan Multatuli’, verzamelde werken bezorgd door Stuiveling, Deel I, pp 455 en 456): “Zonder geheel te delen in het gevoelen van hen, die de uitvinding der boekdrukkunst een ramp noemen, moet ik toch bekennen dat die zogenaamde kunst veel kwaads heeft te weeg gebracht; vooral sedert men van boekenschryven een beroep gemaakt heeft. Men mag onderstellen van iemand, die, vóór die uitvinding, iets voortbracht dat de moeite van ‘t op- en overschryven waardig werd gekeurd, dat hy werkelyk iets te zeggen had. De kans is groter althans, dan ná Coster. Maar sedert men het schryven heeft verheven, – of verlaagd, – tot een broodwinning, spreekt het van zelf, dat er om het lieve brood gedurig iets moet geleverd worden van weinig gehalte.

Wat een schrijver was die man. Wanneer je in zijn tekst ‘boekenschryven’ vervangt door ‘tweeten’ (ik begrijp niet waarom velen dat ‘twitteren’ noemen) dan is hij (de tekst) bijna één op één toepasbaar op de kwaliteitsarme overdaad aan geschreven woord die in de 21ste eeuw beschikbaar is via digitale media.

Gelukkig is de invloed van de ‘boekenschryvery’ niet desastreus geweest op de samenleving zoals Multatuli leek te vrezen. De invloed van boeken moet nooit overdreven worden omdat het lezen van een boek meer inspanning vergt dan velen opbrengen.

Het lezen van vluchtige tweets kost geen moeite. Het is een zege dat er sinds kort meer tekens beschikbaar zijn om te tweeten. De bereidheid tweets te lezen is omgekeerd evenredig aan de lengte er van. Hoe langer de tweets, deste meer inspanning moet worden geleverd om ze te lezen. Bovendien is de overdaad aan tweets een garantie tegen werkelijke invloed van individuele tweets.

Geen groter zege dan de exponentiële groet van het aantal tweets.

Nog steeds geldt dat teksten die de moeite waard zijn over te schrijven per definitie meer kwaliteit hebben dan vluchtige kreten via het toetsenbord.

Dat ik de tekst van Multatuli overtypte is daar het bewijs van; zou ik nooit hebben gedaan met de voorspelbare tweets van Wierd Duk.

Ferdinand Braun.

 

Geef een reactie