Lui Letterkundig Museum

Mo bij het portret van Hella Haasse, de grote 1 van de naoorlogse literatuur

Mo bij het portret van Hella Haasse, de grote 1 van de naoorlogse literatuur

Afgelopen week stuurden een groep wetenschappers en schrijvers een brandbrief naar Jet Bussemakers, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, met het dringende verzoek de bezuiniging van € 500.000,00 op het Letterkundig Museum terug te draaien. Het museum zou nu zelfs geen geld meer hebben voor aankopen of voor de aanstelling van een conservator.

Uit solidariteit met het armlastige museum togen Mo en ik gisteren naar de Prins Willem-Alexanderhof 5 in Den Haag. Na een half uur werd mij weer duidelijk waarom ik dat museum nooit meer bezoek (de laatste keer was een jaar of vijf geleden).

Het blijft leuk die uitgebreide galerie van voornamelijk knullig geschilderde portretten van Nederlandse schrijvers te bekijken. Veel van de geportretteerden ken ik overigens niet. Te veel schilderijen voor de beschikbare muur, dus op z’n Frans opgehangen van plint tot plafond. Het voelt niet goed op je knieën te moeten om de onderste schilderijen te bekijken en op en neer te moeten dansen om de lichtschittering in de bovenste schilderijen te ontlopen.

In een paar nissen staan bronzen, stenen en gipsen bustes van Neerlands literaire roem op de grond. Hup, weer door de knieën om ze te kunnen bekijken. De naamlijstjes op de muur naast die bustes kan ik me nog voorstellen, maar waarom de namen van de schrijvers niet gewoon bij de schilderijen? Nu is het een soort puzzel, een minder aangenaam gezelschapsspel om te ontdekken wie wie is.

De vitrines met boeken en omschrijvingen voegen nauwelijks iets toe aan wat een goede, redelijke leraar Nederlands op de middelbare school aan zijn leerlingen vertelt. De tentoonstelling van Ronald Tolman’s literatuurgerelateerde kunst: boring, en onduidelijk.

Ooit, lang, zeer lang geleden maakte ik uitgebreid gebruik van het archief van het Letterkundig museum. Volgens mij ligt daar de kracht en het belang van deze organisatie; niet in een overbodige museale presentatie die niets toevoegt.

Wat mij betreft mag het Letterkundig Museum als museum opgedoekt worden en kan het archief naar de Koninklijke Bibliotheek of Meermanno.

Joost Zwagerman bracht bij leven nog zijn uitgebreide archief onder bij het Letterkundig Museum. Voorpaginanieuws in de kranten en prominent aangekondigd tijdens het NOS achtuurjournaal. Niets daarover in het museum.

Sterker nog: bij het geschilderd portret van Zwagerman staat alleen zijn geboortedatum vermeld; niet dat hij september 2015 zich het leven benam.

Als ik de positie van directeur Aad Meinderts had, bracht ik hoogstpersoonlijk de juiste informatie aan met een paar plakcijfers. Het is om je te schamen dat een van de volgens Harry Mulisch – waarom een hele zaal gewijd aan dat onleesbare Stenen Bruidsbed? – beste Nederlandse schrijvers, een schrijver die zijn hele archief schonk aan het museum, niet op wat meer zorgvuldigheid kan rekenen.

Ik moet denken aan de Afdeling Geschiedenis van het Rijksmuseum te Amsterdam. Vele jaren, ik overdrijf niet, klaagden buitenlandse bezoekers over het ontbreken van Engelstalige teksten bij de objecten op die afdeling. Een afdeling met objecten die juist honger naar informatie veroorzaakt. Het heeft werkelijk tientallen jaren geduurd voordat die afdeling, onder druk van een nieuwe directeur, eindelijk, eindelijk de wens van de bezoekers honoreerde.

Is het lethargie, is het luiheid, is het inertie, arrogantie, gebrek aan professionaliteit? Geldgebrek?

Mocht geldgebrek de oorzaak zijn dat het tekstbordje bij Joost Zwagerman nog niet is aangepast, dan mag Aad Meinderts mij mailen op TimvanDool@meditatione-ignis.org en zal ik het museum van ganser harte een éénmalige subsidie verstrekken om het aan te passen..

Tim van Dool, Meditatione Ignis literatuurcriticaster