Heiligverklaring Matthäus Passion door Annet Veenstra

Bach Museum Leipzig

Annet Veenstra werd naar aanleiding van haar maffe ingezonden brief in De Volkskrant van zaterdag j.l. niet alleen door mij aan het kruis genageld.

Op Twitter, in de De Volkskrant app en op de Geenstijl website incasseerde ze haar portie zwavelzuur. Bij Geenstijl kreeg ze op een walgelijke manier ‘onder uit de kast’. Niet mijn stijl dat Geenstijl.

Mijn ergernis betrof niet alleen de brief van Annet Veenstra, maar voornamelijk de keuze van de opinie redactie van De Volkskrant haar brief prominent in een gekleurd kader te presenteren. Blijkbaar werd de brief als van groot belang gezien.

Als hij al van belang was, dan slechts in negatieve zin door de stigmatisering van oudere concertbezoekers. Inhoudelijk had Annet Veenstra niets nieuws te melden. De afgelopen 50+ jaar zag ik periodiek ingezonden brieven, recensies en redactionele commentaren langs komen met exact dezelfde inhoud: gemier over kuchende concertbezoekers. De afgelopen twee decennia aangevuld met klachten over ringende telefoons.

Ik heb mij nooit geërgerd aan kuchen bij klassieke concerten, noch aan de uiterst zeldzame keren dat ik een telefoon af hoorde gaan. Sterker nog: ik hoopte nooit te hoeven kuchen en mijn telefoon is altijd uit bij een concert. Mijn enige reactie op de kuchende medemens is een afgeleide reactie: vrees voor de onverdraagzame Annet Veenstra’s en angst zelf te kuchen.

Hoe komt het toch dat ik mij nooit stoor aan af en toe een kuch en anderen zich daarover zo kwaad maken dat ze in de pen kruipen om van hun irritatie in landelijke dagbladen kond te doen? Je moet wel erg overtuigd zijn dat je boosheid over kuchen terecht is en breed gedragen wordt om die boosheid publiek te delen. Zal het te maken hebben met overwaardering, zelfs heiligverklaring van cultuur?

Annet Veenstra’s discriminerende boosheid, want ouderen zijn de kuchdaders, ontstond bij een uitvoering van Bach’s Matthäus Passion in het Concertgebouw. Hoe zou Bach gereageerd hebben op kuchjes tijdens zijn meesterwerk? We kunnen het niet weten, maar er wel over fantaseren.

De eerste uitvoering van de Matthäus Passion vond 1727 plaats in Bach’s Thomaskirche in Leipzig. De MP was in Nederland voor het eerst te horen in 1870, waarmee Heine’s gelijk bewezen is dat in Nederland alles (honderd)vijftig jaar later plaatsvindt.

Die eerste keer in Leipzig vond plaats in een koude kerk. Een kerk die met kolen- en houtkachels ‘s winters op temperatuur werd gehouden. Een ongezonde, rokerige omgeving. De landelijk gemiddelde leeftijd was in die tijd circa 40 jaar. Dit kwam niet alleen door de kindersterfte die toen veel hoger was dan nu, maar ook doordat de levensverwachting van mensen die wel de kinderleeftijd goed doorkwamen lager was dan nu.

De gemiddelde leeftijd van de kerkbezoekers weet ik niet. Die moet lager geweest zijn dan de gemiddelde leeftijd van de huidige concertbezoekers. In hoeverre er sprake was van een ‘oververtegenwoordiging’ (Annet Veenstra) van een oudere leeftijdcategorie weet ik ook niet. Ik sluit niet uit dat er bij die eerste voorstelling en in vele decennia daarna, in de koude, rokerige kerkomgeving heel wat gekucht, gehoest en geproest is. Misschien waren er ook huilende kinderen te horen. Werden er boze brieven naar kranten gestuurd om te klagen over alle bijgeluiden? Weer iets dat ik jammer genoeg niet weet, maar ik vermoed dat de aanwezige gelovigen alle rumoer zonder klagen accepteerden, zoals ik in mijn katholieke jeugd het normaal vond dat er af en toe rumoer in de kerk was terwijl het acolietenkoor prachtige Gregoriaanse muziek ten gehore bracht.

De maatschappij is geseculariseerd maar de christelijke muziekcultuur, dat is de Matthäus Passion immers, wordt door mensen als Annet Veenstra steeds weer op het heilige, snobistische schild geheven. In historisch perspectief is een kuch tijdens de Matthäus Passion niets om je aan te ergeren. Ik ben het daarom volledig eens met de reactie op Annet Veenstra’s idiote brief: ‘Ga dan lekker thuis met een koptelefoon op luisteren naar de Matthäus Passion’.

Nee, wat doet Annet Veenstra: zij mengt zich willens en wetens tussen de 1974 concertbezoekers in het Concertgebouw om zich te wentelen in ergernis dat die bezoekers af en toe te horen zijn. Veenstra bedient zich in haar ingezonden ergernis zonder enige schaamte van overdrijving alsof de magische Matthäus Passion verstoord zou zijn door wangedrag van ‘oververtegenwoordigde’ ouderen. Heeft dat kind geen ouders en grootouders, zo vraag ik mij af.

Kuchen (jammer dat Annet Veenstra die statistiek niet bijhield), 3 programmaboekjes en vijf ongedefinieerde ‘zwaardere voorwerpen’ die vielen en ‘twee telefoons’ die afgingen. Geen slechte score bij 2.000 bezoekers, volgens mij. Een relatieve rust.

Het zou reden voor verbazing zijn wanneer in een volle Grote Zaal van het Concertgebouw niet af en toe een kuch te horen is. Ik ben iedere keer weer verbaasd hoe bijna muisstil het tijdens concerten is dankzij een voorbeeldig, devoot publiek. Annet Veenstra is niet alleen het zicht op de realiteit van 2.000 mensen in één zaal kwijt, maar verliest in haar zelfgevoede irritatie ook de ratio. Heeft ze zich werkelijk geen moment afgevraagd hoeveel rumoer van kuchen en telefoons er zou zijn als 2.000 twintigers daar bij de Matthäus Passion zaten? Vonden al die luidruchtige incidenten vlak naast haar plaats? Dat moet wel, want hoe kon ze anders weten dat het ‘de ouderen’ waren die zich zo schandalig misdroegen?

Het door Annet Veenstra verloren perspectief op de oorsprong van de Matthäus Passion is niet uniek.

Eenzelfde perspectiefverlies zag ik regelmatig tijdens mijn circa dertig jaar werk in musea, bibliotheken, archieven, kerken met collecties en monumenten. Ook daar keek ik vaak verbaasd naar de heiligverklaring van objecten en gebouwen.

Rembrandt schilderde zijn Nachtwacht, De compagnie van kapitein Frans Banning Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh, circa 1640 op de binnenplaats van zijn woning. In de buitenlucht dus.

Van het schilderij, eigendom van de gemeente Amsterdam, werden in 1715 vanwege de verplaatsing van de Kloveniersdoelen naar het stadhuis op de Dam aan alle zijden enkele stroken afgesneden, waardoor het bijna twintig procent van de oorspronkelijke oppervlakte van ongeveer 500 bij 387 cm verloor. Zo ging men toen met die heilige kunst om.

Sinds 1885 hangt het in het Rijksmuseum in Amsterdam. De eerste 75 jaar zonder dat er sprake was van een geavanceerd klimaatbeheersingssysteem. Nu worden de klimaatcondities 24 uur per dag minutieus in de gaten gehouden. Meer dan drie eeuwen hield het schilderij stand in niet-geklimatiseerde omgevingen. Echter, wanneer nu de temperatuur en de relatieve luchtvochtigheid enkele procenten afwijkt, ontstaat paniek. Het heilig verklaarde schilderij moet als een kwetsbaar couveusekind vertroeteld en beschermd worden.

We hebben in Nederland ruim duizend musea die jaarlijks 30 miljoen keer bezocht worden. Slechts zelden doet zich een incident voor, maar oh wee wanneer een object moedwillig beschadigd, of erger nog, gestolen wordt: voorpagina nieuws in alle kranten, prime time nieuws op radio en TV en deskundige commentaren in praatprogramma’s. Alsof er een nationale ramp heeft plaats gevonden; of een dierbaar familielid geheel onverwacht de pijp aan Maarten heeft gegeven.

Iedere generatie laat zijn voetstappen na. De waardering voor die voetstappen fluctueert. Rembrandt was tot ver in de 19de eeuw een min of meer vergeten meester. De depots van musea staan vol met wat ooit gezien werd als meesterwerken (en werken die nooit die status verwierven). Het kan verkeren. De musea van nationaal belang tonen slechts het topje van hun collectie-ijsberg, ongeveer 10%, aan het publiek. De depots puilen uit. Niet alle voetstappen van alle voorbije generaties zijn blijkbaar even indrukwekkend.

Moeten die voetstappen dan niet zorgvuldig bewaard worden voor toekomstige generaties? Natuurlijk wel, maar dan in alle nuchterheid, in de wetenschap dat waardering vergankelijk is. De maandelijks gepresenteerde boek-van-de-maand literaire meestwerken, zijn in de meeste gevallen over een paar maanden historie. Wie leest er nog Vestdijk, de veelschrijver uit mijn jeugd? Wordt er naast de Max Havelaar nog andere literatuur uit de 19de eeuw gelezen? De door Veen uitgegeven verzamelde werken van Gerard Reve liggen te verstoffen bij het Centraal Boekhuis. Toch was hij in zijn tijd ‘de belangrijkste na-oorlogse schrijver’, samen met WFH (zullen mijn kleinkinderen weten waar die afkorting voor staat) en Harry Mulisch. Probeer dat onleesbare boek Het stenen bruidsbed, maar eens door te worstelen.

Niet alleen wij zelf, maar al het menselijke is vergankelijk.

Stop met die overwaardering van moderne kunst, stop met die amechtige aanbevelingen van literaire meesterwerken, stop met de hysterie over een beschadigd of gestolen museumobject, en vooral: kap met die truttige Annet-Veenstra-opvliegers over een kuch tijdens de Mattheus Passie in het Concertgebouw.

Al die heiligverklaarde cultuur is niets anders dan een vluchtige voetstap in de tijd.

Een Rembrandt-tentoonstelling een ‘once in eternity’ ervaring? Rot toch op joh!

Bertus Gerardus Antonissen