Een welkome dood

Holbein DoodHoe zal ik gaan? Tegen je zeventigste ga je daar af en toe over nadenken.

Zal ik op mijn 98ste dit leven verlaten, moegestreden en versleten, met reumatische vergroeiingen aan handen, polsen en knieën, met een monumentaal gezwollen prostaat waardoor ik al jaren alleen langdurig zittend mijn blaas leeg kan druppelen, met gehoorapparaten in beide oren, bloeddoorlopen ogen met gele vlekken, met uitgezakte oogleden, met oorlellen tot op mijn schrale schouders, een neus waar je onder kan schuilen ware het niet dat je dan van de regen in de drup komt, met een fotografisch geheugen waarin Erlkönig en Die beide Grenadiere integraal verankerd zijn, maar waar geen plek meer is voor wat gisteren gebeurde?

Zal ik de laatste jaren van mijn leven nog buiten gewandeld hebben? Was ik de schrik van verzorgings- en verpleeghuis? Overleefde ik 1 of meer van mijn kinderen? Ga ik eerder dan Mo?

Of kom ik op mijn zeventigste de Benoordenhoutseweg overstekend onder een veel te snel rijdende auto? Krijg in park Clingendael een doodklap van een boze hondeneigenaar? Struikel ik in onze eigen tuin van het bordestrapje, breek mijn heup en word aan het einde van de dag stuiptrekkend gevonden?

Verslik ik mij in een spare rib? Stik ik ‘s nachts in mijn refluxkots nadat ik weer eens onbesuisd veel gegeten heb? Word ik ziek en krijg ik een lang, schrijnend ziekbed? Een fatale hersenbloeding doordat ik veel te hard zit te persen op de plee? Geëlektrocuteerd door een kapotte elektrische Weber BBQ? Getroffen door de bliksem tijdens een wandeling tussen Manderscheid en Wittlich, of gewoon een hartstilstand omdat mijn hart het op een helling begeeft?

Rij ik als hoogbejaarde spook op een tweebaansweg en neem een tegemoetkomend gezin met twee kinderen mee naar de eeuwige jachtvelden? Weer geen griepinjectie gehaald en ga ik ten onder tijdens de jaarlijkse epidemie, of haalde ik hem bij uitzondering wel en word daar doodziek van? Bedorven mosselen? Zwemmen in vervuild water? Verlamd door een school kwallen of naar de horizon meegesleurd in een mui bij de zandmolen Kijkduin?

Alcoholvergiftiging?

Sterf ik net als mijn oudste broer met de stofzuigerslang nog in mijn hand? Ga ik vredig of razend en tierend? Ben ik er helemaal klaar mee en word op eigen verzoek geëuthanaseerd? Weet ik het allemaal niet meer en word op dringend verzoek van mijn omgeving en nabestaanden wilsonbekwaam geëuthanaseerd, kwijlend van ouderdom en dementie? Ga ik mijn laatste jaren raaskallen en geef al mijn geheimen prijs terwijl mijn kinderen denken dat ik ijl en niet de waarheid spreek?

Sla ik de hand aan mijzelf omdat het genoeg is, omdat ik mij schaam voor mijn aanwezigheid, omdat ik te trots ben om af te takelen? Zal ik de huisdeur achter mij dichttrekken, gaan zwerven en op een Franse berg moedwillig uitdrogen tot de dood er op volgt? Zal ik daarna jaren vermist zijn totdat een eenzame schaapsherder of een bergklimmer mijn aangeklede skelet vindt, zittend tegen een rots?

Zal ik groots en meeslepend als held om het leven komen doordat ik anderen bescherm? Loop ik de ondergaande zon tegemoet in de branding bij afslag 19 tussen Scheveningen en Kijkduin?

Ga ik vredig in mijn slaap liggend naast Mo? Zal ze daarna gaan verhuizen omdat ze panisch is voor de dood?

Ik zie nu niet op tegen de dood en eigenlijk ook niet tegen sterven. Zal ik wanneer het zo ver is wel in paniek raken en een hopeloos gevecht leveren?

Eigenlijk leef ik al met de dood, nu op mijn 68ste jaar. Niet met angst, soms met verlangen, nooit met hevig verlangen. Er is nog zo veel te lezen. Met het ouder worden neemt de leesdruk en de haast toe. Soms fluistert een duiveltje in mijn oor dat ik niets mee kan nemen, ook geen kennis. De gedachte aan de dood bevrijdt mij niet van de plicht alle nog niet gelezen boeken te lezen, alsof ik voor het einde van het schooljaar achterstallig huiswerk af moet hebben. Eerder kan ik niet in alle rust vakantie vieren, of dood gaan. Niets erger dan onvoltooid het leven uit te moeten.

Het leven is geen last. Eerder lastig eentonig. Denken aan de dood doorbreekt de sleur. Er is ineens weer iets om voor te leven: de dood.

Als ik maar niet op straat kom te liggen zoals ik ooit zag in het Rottestraatje in Rotterdam. Daar lag een oude man op zijn buik, met zijn gezicht platgeslagen naar beneden met een kleine groep kletsende buren om zich heen. Ik wil niet bij Albert Heijn naast een pad vol bonusaanbiedingen liggen, niet op straat van mijn fiets donderen en terminale aandacht van Benoordenhoutbewoners krijgen; ik wil niet dat besjaalde moslima’s angstig nieuwsgierig in een boog om mij lopen terwijl ik, tasje bakkelhao nog in mijn hand, op de Haagse Markt lig. Kapotte flesjes Kasteelbier naast me voor de deur van Gall en Gall, languit gevallen op een taartdoos van Kelder in de Weissenbruchstraat, bij Paluco op het terras in elkaar gezakt met Orca vastgebonden aan mijn stoel. Stil zittend in de stationair lopende auto op de Laan van Clingendael.

Niet publiek, ontluisterend, voor iedereen zichtbaar op straat liggen. Liefst anoniem, helemaal alleen in de eigen slaapkamer en dan met een glimlach op mijn gezicht gevonden worden. Medelijden met degenen die mij aan mijn blauwdooraderde schriele armen en benen de kist in moeten tillen en mij fatsoeneren zodat de kleine kring belangstellende kan zeggen: “Wat ligt hij er mooi bij”.

Bloemen bij mijn kist? Ja, veel bloemen. Toespraken? Nee, hooguit de tekst die ik nu uit mijn keyboard ram voor laten lezen, maar door wie? Begraven of cremeren? Het laat mij Siberisch, als ik even mijn zoon-epigoon mag citeren.

Hoe wil ik herinnerd worden? Geen idee. Het is ook niet belangrijk, want je kan nu eenmaal niet de regie hebben over hoe anderen je herinneren. Wil ik herinnerd worden? Nu wel; dood maakt het natuurlijk niet uit. Als tranen over je geplengd worden tijdens je leven, dan is er iets ergs aan de hand. De dood is nooit erg voor de dode. Over hem hoeven geen tranen geplengd te worden.

Leven is niet zo onvermijdelijk als de dood. Bij het verstrijken der jaren word ik steeds meer achtervolgd door schaamte en frustratie over wat was. Wat ik deed, of wat ik naliet. Heeft iedereen dat onvoldane, ontevreden gevoel? Het verleden groeit; de toekomst krimpt. Er zijn geen herkansingen.

Wanneer de ontevredenheid over mijn eigen verleden, niet over het heden, in dit tempo blijft groeien in mijn herinneringen, zal de dood, het kan niet anders, ooit met open armen ontvangen worden.

Bertus G. Antonissen