Deprimerende wandeling door tolerant Den Haag

keppelOp onregelmatige tijden zie ik, als ik met de hond de Benoordenhoutseweg oversteek richting Haagse Bos, op de Laan van Clingendael een Joods gezin lopen. Meestal vader met een zoon van een jaar of 12, beiden herkenbaar Joods gekleed (lange zwarte jas, zwarte hoed). Heel soms is de moeder erbij. Schichtige passanten met de ogen op de horizon of de grond gericht. Iedere keer weer groet ik ze niet, ik loop aan de andere kant van de Laan, en iedere keer weer zou ik ze aan willen spreken en een blijk van sympathie geven. Ik durf dat niet omdat ze zich gehuld hebben in een ondoordringbare cocon. Bovendien: wat moet ik ze zeggen?

Eergisteren wandelde ik met Mo en de hond naar de Theresiastraat om wat boodschappen te doen. Het was mooi weer en we maakten een omweg naar huis via het Bezuidenhout.

We liepen door een straat waar we nooit eerder samen door liepen en passeerden drie zwaar bewapende politiemensen met kogelvrije vesten. In de straat stonden hoge palen met camera’s. Aan het einde van de straat, bij een t-kruising stond zo’n stalen container op stalen poten zoals je die in Den Haag vaak ziet bij ambassades van risicolanden.

De politiebewakers, twee mannen en een vrouw, stonden voor een laag gebouwtje, tegenover een school waar tientallen ouders wachtten op hun kinderen. Aan het lage gebouwtje viel niets anders op dan de aanwezigheid van de politiemensen. Achter een paar ramen hingen wat foto’s. We liepen door, maar keerden uit nieuwsgierigheid terug om de foto’s te bekijken en de teksten bij de foto’s te lezen. Een kleine vrouw, vooraan in de dertig schat ik, met zwart haar en zwarte ogen wilde op dat moment naar binnen gaan met een kleuter.

Een van de politiemensen kwam naar ons toe: ‘Kan ik u ergens mee helpen?’

We wilden weten wat dit voor gebouwtje was.

Een Joods kinderdagverblijf.

Een Joods kinderdagverblijf tegenover een ‘gewone’ lagere school moet in ons vrije landje blijkbaar zwaar bewaakt worden. Dat overviel ons op deze zomerse, zonnige dag met somberte, verdriet en vooral woede.

We leven in een land waar Joden na synagogebezoek het keppeltje in hun zak stoppen uit vrees op straat lastig gevallen te worden, terwijl moslims ongehinderd op straat, in het openbaar vervoer, op het overheidswerk koketteren met hun geloof. Waar geen Jood het zal wagen met keppel, pijpenkrullen, hoed, zwarte jas, duidelijk herkenbaar als Jood, door de Schilderswijk of het centrum van Den Haag te lopen. Waar ‘kankerjood’ tot het vaste vocabulaire hoort van islamitisch straattuig en je nooit, helemaal nooit hoort dat tegen deze discriminatie opgetreden wordt, maar oh wee als iemand het waagt zich negatief uit te laten over moslims. Dan janken mannen in jurken en vrouwen met sjaaltjes of burka’s in koor over islamofobie. Een land waar leerlingen van het Brabantse Elde College onderweg naar een galafeestje doodleuk zingen dat Joden zo goed branden en de school dat afdoet alsof het een kwestie is tussen de school en de leerlingen. Waar een Joods kinderdagverblijf blijkbaar continu bewaakt moet worden. Waar moslims veertig jaar geleden al doodleuk een leegstaande synagoge kraakten om hun stampvoetend gelijk te halen bij de gemeente Den Haag. Waar moslims het aangezicht van die vroeg-negentiende eeuwse synagoge verziekten met kitsch-minaretpriapen.

De islamitische koekoeksjongen duwen stelselmatig de oorspronkelijke bewoners het nest en ook een synagoge uit. Ze bepalen met hun middeleeuwse, religieuze carnavalsuitdossingen het straatbeeld, maar een Joods gezin moet zich angstig over straat begeven, gelovige Joden moeten zich onherkenbaar in de massa verstoppen en onschuldige Joodse kleuters moeten bewaakt worden door tot de tanden bewapende politiemensen.

De weerstand die moslims in ons land ondervinden valt in het niet tegenover de onderdrukking en angst waar Joden mee geconfronteerd worden.

Volgens mij gaat er iets niet goed in ons vrije landje.

Aron Schoenmaker