Couleur Locale veranderlijk als het weer

Gary Cooper en Grace Kelly in High Noon, 1952

Gary Cooper en Grace Kelly in High Noon, 1952

De Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (dbnl.org) omschrijft couleur locale (Etym: Fr.: lokale kleur) als: Een schildering van omgeving, dialect, zeden, gewoonten, kleding en historische setting in een literair werk. Het gaat er daarbij niet om een zo realistisch mogelijke beschrijving te geven, maar veeleer om het oproepen van sfeer en achtergronden van het vertelde en het voor de lezer aannemelijk maken daarvan.

Op de middelbare school werd in de lessen Nederlandse literatuur en letterkunde, bij de behandeling van de laat-middeleeuwse litteratuur gedoceerd dat die literatuur zich vooral kenmerkte door het ontbreken van enige couleur locale. Of liever: in historische romans, en in de vroege kunst van voor de renaissance kwam de couleur locale krek overeen met de couleur locale uit de tijd van de schrijver of schilder. Schrijvers en beeldend kunstenaars waren niet in staat vroegere couleur locale uit te beelden. Een typische karakteristiek van de vroege kunst en literatuur, zo werd ons geleerd.

Naomi Bisping, Radboud Universiteit Nijmegen, schrijft in haar bachelorwerkstuk kunstgeschiedenis (juni 2015) ‘Abélard en Héloïse; de receptie van een middeleeuws verhaal in de schilderkunst van de achttiende en negentiende eeuw’: Pope (Alexander Pope, 1688-1744, schreef in 1717 het gedicht Eloisa to Abélard) plaatste haar (Heloïse) in de achttiende eeuw en eigende zich het verhaal toe om achttiende-eeuwse gedachten over religie en liefde tot uiting te brengen. Ook in de beeldende kunst van de achttiende eeuw wordt het idee overgebracht dat Héloïse een eigentijdse heldin is omdat ze niet als middeleeuwse vrouw getoond wordt. Ze wordt veeleer als achttiende-eeuwse vrouw voorgesteld en men had geen behoefte haar in haar historische context te plaatsen. In de beeldende kunst betekende dat, dat er geen couleur locale te vinden is.

Bisping vermeldt verder (pagina 19 van haar werkstuk): De geschiedenis werd dus vervormd zodat van haar alleen louter data van gebeurtenissen overblijven die niet veranderd konden worden. In de negentiende eeuw werd de couleur locale een verrijking van het geschilderde onderwerp. Het terugkijken naar het verleden had een nostalgische motivatie.

De kreet couleur locale en het onvermogen tot weergeven van couleur locale zoals die was in de tijd waarin afbeeldingen in de kunst en beschrijvingen in de literatuur zich afspeelden, is mij sinds de schooljaren bijgebleven. Het leek interessante feitenkennis waarmee producten uit vroege kunst en literatuur geduid konden worden.

Naomi Bisping maakt in haar boeiende werkstuk, alles over Abélard en Héloïse fascineert mij al jaren, duidelijk dat onvermogen tot schildering van oorspronkelijke couleur locale zich niet beperkt tot laat-middeleeuwse kunst. Volgens haar werden er dus pas in de 19de en begin 20ste eeuw, uit nostalgische motieven, pogingen ondernomen couleur locale waarheidsgetrouw weer te geven.

Een moeilijke opgave, omdat couleur locale niet geschetst kan worden op basis van objectieve waarneming, maar stoelt op subjectief ervaren. Een puur objectieve beschrijving is mogelijk bij wetenschappelijke studies en recepten om brood te bakken, maar niet bij de ‘schildering van omgeving, dialect, zeden, gewoonten, kleding en historische setting’. Het lijkt mij onmogelijk hedendaagse invloeden op het kijken naar het verleden te elimineren.

Er zijn af en toe van die druilerige weekenddagen dat vacuüms ontstaan in de tijd omdat je nu eenmaal niet twee hele dagen boodschappen kan doen, krant of boek lezen, koken en met de hond wandelen. Dus bladerden Mo en ik zondagmiddag door Netflix en kozen voor een western met Clint Eastwood uit 1972.

Daar was hij weer: de vraag naar betrouwbare couleur locale. Of liever: de in het oog springende hedendaagse invulling van de couleur locale van het 19de eeuwse wilde westen van Amerika. De slechterikken in de western hadden geen kapsels zoals hun 19de eeuwse voorbeelden, maar de haardracht zoals die in 1972 mode was. Lang dus.

Mijn eerste herinneringen aan Hollywood westerns waren de films met Roy Rogers (Leonard Slye 1911-1998), de zingende cowboy, die ik, in korte broek nog, zag in de bioscoop Capitol aan de Loosduinseweg in Den Haag. Al vele jaren sjoemelt Johan Maasbach Wereldzending daar met de bijbelse couleur locale. Religies zijn HET voorbeeld van de botsing tussen archaïsche couleur locale en hedendaagse moraal.

Roy Rogers was in zijn films in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw geknipt volgens de mode van toen: bloempotmodel. Voor ons als kinderen was dat het beeld van de 19de eeuwse cowboy. Zijn kleding was een soort midden tussen cowboycarnavalskleding en indianen – ja ik weet dat ook dat woord niet meer politiek correct is – verentooien. De cowboys in jaren zeventig westerns gingen heel anders gekleed. Kwam dat door toegenomen inzicht in de 19de eeuwse werkelijkheid? Nee, die kleding en haardracht was niets anders dan een weergave van hoe men in 1970 vond dat het er in de 19de eeuw uit moest zien.

Couleur locale als ‘schildering van omgeving, dialect, zeden, gewoonten, kleding en historische setting’ was in alle opzichten in de westerns plooibaar naar het moment waarop die films gemaakt werden; ook wat de zeden betrof.

Roy Rogers en Gary Cooper in Fred Zinnemann’s High Noon (1952) waren gentlemen volgens de maatschappelijke zeden die golden toen de films gemaakt werden. Rogers en Cooper sloegen en schopten hun tegenstanders niet verrot zoals dat in latere films zo expliciet mogelijk in beeld gebracht werd.

In mijn jeugd was de norm, mede ons voorgehouden in de westerns van toen, dat je alleen met je knuisten vocht. Schoppen was unfair en minderwaardig. Een tegenstander schoppen, of zelfs slaan, die uitgeteld op de grond lag hoorde niet thuis in een ‘eerlijk’ gevecht. Onze rolmodellen waren kortgeknipte heren, klaar om naar de zondagsdienst te gaan, met goede manieren.

Fck en sht hoorde je in die films niet. In hedendaagse films (en muziek) struikel je over schuttingtaal.

Roger Rogers was het beeld van de 19de eeuwse trek naar het westen in de Verenigde Staten dat mij in films werd voorgeschoteld. Zou ik in de jaren zeventig zijn opgegroeid, dan had ik een heel ander beeld van de mores en uiterlijkheden van het wilde westen gekregen. De ongelimiteerde explosie van geweld in films vond vooral plaats sinds de jaren tachtig. Liefst zo confronterend mogelijk in beeld gebracht.

Het beeld van het verleden wordt bepaald door de hedendaagse ogen waarmee naar het verleden gekeken wordt. Het moet en zal, zeker in populaire cultuur, vroeger geweest zijn zoals wij nu dat verleden willen zien. Niet zoals het was.

Ik vind dat jammer, want het beeld zoals mij werd voorgehouden in films met Roy Rogers en Gary Cooper was net zo spannend, maar veel minder gruwelijk.

In veel opzichten ben ik niet blij met de couleur locale van de vroege 21ste eeuw, ook al wordt in de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren beweerd: Het gaat er niet om een zo realistisch mogelijke beschrijving te geven, maar veeleer om het oproepen van sfeer en achtergronden van het vertelde en het voor de lezer aannemelijk maken daarvan.

We moeten op onze tellen passen. Dankzij alle media om beelden en geluid vast te leggen – de 20ste en 21ste eeuwse couleur locale – zullen toekomstige generaties als eersten werkelijk terug kunnen kijken naar het verleden dat ons heden is. Ik ben bang dat ze weinig zullen zien en horen om trots op te zijn.

Er is volgens mij een relatie tussen politiek correct en couleur locale. Beide zijn veranderlijk als het weer.

Moet ik eens dieper over nadenken.

Bertus G. Antonissen

 

 

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.