Boring Bowie

Philips transistorradio 1960

Philips transistorradio 1960

 

De Nederlandse radio besteedde eind jaren 50, begin jaren 60 nauwelijks aandacht aan popmuziek, met uitzondering van een wekelijks overzicht van de Top Tien. Informatie over de nieuwe trends kregen we aanvankelijk via Tuney Tunes, mijn zus Jopie had een abonnement of kocht het blad regelmatig, en later via het weekblad Muziek Expres.

Om te luisteren naar Engelse en Amerikaanse populaire muziek moesten we onze toevlucht nemen, voor zover te ontvangen, tot Radio Luxemburg.

In Het Haagse lukte dat nauwelijks. Logerend bij oom Louis in Sittard, was het iedere keer weer een bijna ondeugend genoegen op Radio Luxemburg achter elkaar de 3-minuten, standaard lengte van de nummers, popmuziek te horen met tussendoor verderfelijke, want op de officiële Nederlandse zenders verboden, reclame. Het voelde vooral als ondeugd omdat thuis en op school afgegeven werd op de nieuwe muziek.

Vanaf 1964 (tot 1974) kwam daar verandering in toen de trawler Norderney voor de Nederlandse kust, net buiten de territoriale wateren, voor anker ging en als Radio Veronica op de middengolf-frequentie 192 begon met het 24 uur per dag uitzenden van popmuziek.

Ik zie me nog ‘s avonds met mijn Philips transistorradio aan het oor, samen met buurjongen Hans K., zoon van de fietsenmaker in de Copernicusstraat, in de buurt banjeren.

Die radio was 22 november 1963 een belangrijke bron van informatie na de moord op president Kennedy. In de loop van de avond hoorden we over de aanslag op Kennedy en later over zijn overlijden. Rudie ‘t H. en ik plengden, zittend op de trottoirrand, tranen over de moord.

Een somber radiomoment. Het enige sombere moment dat ik me kan herinneren. Verder niets dan vertier, lachen om Willem van Kooten als Joost den Draaier (‘Den draaierd Joost’) en van minuut tot minuut de nieuwste muziek. Zijn “bekend van radio en telefoon” hoort zo langzamerhand bij de Nederlandse taalcultuur.

Ik prijs me gelukkig in die periode te zijn opgegroeid: de sixties van de 20ste eeuw.

Space Oddity van David Bowie, juli 1969, werd er bij mij via herhaling na herhaling op de radio ingeramd. Voelde me gehersenspoeld met een nummer dat me niet beviel. Ik vond het a-melodieus en met een afgeknepen stem onbeholpen gezongen. Een saai, vervelend nummer.

Door deze slechte start met het fenomeen Bowie, heb ik hem nooit gevolgd. In ieder geval niet bewust. Nooit werd ik fan.

Dat zijn muziek afweek van alles wat in die tijd te horen was op de radio staat, zelfs bijna 50 jaar later, buiten kijf.

Door de historische rol is het nummer over major Tom niet meer ‘boring’ als destijds, maar of het werkelijk zo’n meesterwerk is als nu, enkele dagen na het overlijden van David Bowie, beweerd wordt, is wat mij betreft nog steeds de vraag.

Ik durf bij het massale verdriet om zijn overlijden bijna niet te schrijven dat de melodramatische kitsch van de clips die vorige week uitkwamen bij zijn laatste CD, Blackstar, geen enkele emotie bij mij oproepen.

De ziekte en het overlijden van Bowie die nog zo graag verder wilde leven zijn dramatisch genoeg op zichzelf. Het excessief theatraal narcisme uit de clips doet afbreuk aan dat drama.

Bertus G. Antonissen

 

Please follow and like us:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.