Amor librorum (werk in uitvoering…)

19 febr. 2000. Kraambed L. in afwachting geboorte M. Van de bevalling weet ik vrijwel niets meer; van het boek - Groepsfoto met dame door Böll - bijna alles. Om me te schamen.

19 febr. 1980. Kraambed L. in afwachting geboorte M. Van de bevalling weet ik vrijwel niets meer; van het boek – Groepsfoto met dame door Böll – bijna alles. Om me te schamen.

Ik heb mijzelf vanaf 1 januari 2016 een verbod opgelegd boeken te kopen. Er is nog één bestelling onderweg, het boek van Hannah Arend over Eichmann, en dat is het dan.

Gisteren met Henk S. een paar biertjes gedronken in De Boterwaag aan de Grote Markt in Den Haag. Het beste boek dat hij ooit las: Romulus mijn vader, van Raimond Gaita. Heel enthousiast. Ik houd, ondanks Henks dwingende aanbeveling, voet bij stuk en ga het niet kopen.

De magie van het boek heeft mij mijn hele leven, zo lijkt het, al in de ban. Op de lagere school, na de leeftijd van de Daantje boeken of De schrik van de Imbosch gepasseerd te hebben, las ik Damiaan de melaatse. Kan mij nog stukken uit het boek herinneren. Vooral het moment waarop Damiaan ontdekte zelf besmet te zijn met lepra. Hij waste zijn voeten in heet water en voelde niet de hitte van het water. Besmet. Ook: In navolging van Christus (De imitatione Christi) van Thomas á Kempis. Prisma paperbacks op vergeeld papier die bij ons thuis in de kast stonden. Kastje, eerder, want het leesaanbod was beperkt. Hollands Glorie in een goedkope editie met blauwkartonnen band, soms zie ik nog een exemplaar op boekenbeurzen, bewoog mij tot tranen, vooral toen Jan Wandelaar na een lange reis vernam dat zijn vrouw in het kraambed overleden was. Tranen die ik enkele jaren eerder plengde over de zoektocht van Remy en de dood van Vitalis in Alleen op de wereld van Marlot.

Van Jan de Hartog las ik, na de lagere school, Gods Geuzen, gezeten op een Schevenings havenhoofd, nog voordat de havenhoofden met grote betonblokken verlengd werden. Ik verkoos de vrijheid van Victor Kravchenko was bij ons ‘boek van het jaar’. Het was de koude oorlog met de inval in Boedapest en de bouw van de Berlijnse muur. Kravchenko opende ons de ogen. Of niet? Kravchenko ontvluchtte de Sovjet Unie toen hij bij de VN in New York werkzaam was. Zijn boek kwam in 1946 uit en werd dankzij communistische anti-propaganda vanaf het begin verdacht als Amerikaanse propaganda. Met Kravchenko liep het niet goed. Hij verdiende veel, onder andere in de Peruaanse mijnbouw, maar vergokte nog meer. Februari 1966 pleegde hij in een New Yorkse hotelkamer zelfmoord.

Hollands Glorie verscheen in 1940; De Avonden van Reve in 1947. Dat laatste boek bereikte ons huis niet; evenmin als boeken van andere na-oorlogse schrijvers, geprezen als grote talenten, zoals Hermans en Mulisch. Alleen al van Hollands Glorie werden meer exemplaren gedrukt dan van het complete werk van Reve en Hermans samen. HG werd/wordt gezien als triviaal-, vertelliteratuur. Ik verslond het boek. Ook; Terug tot Ina Damman van Vestdijk en De Avonden, met rode konen, wat een boek, alsof sommige delen over mij en mijn vader gingen. De laatste bladzijde lees ik nog af en toe, niet vaak genoeg, opnieuw. Evenals de laatste bladzijden van On the road, van Jack Kerouac. Vanwege het autobiografische karakter van dat boek verwijt ik Kerouac iedere keer weer dat hij (Sal Paradise) zijn vriend Dean Moriarty in de regen op straat achterliet. Maar goed, dat is allemaal van later. On the road kwam uit in 1957; ik las het pas begin 1970 op rondreis door de Verenigde Staten. In de late jaren zestig had de driedelige Rosy Crucifixion van Henry Miller een belang van bijbelse proporties voor enkele vrienden en voor mij. Wat een taal! Sexus, Plexus en Nexus hadden invloed op onze stellingname in het leven.

Niet in huis, maar wel veel besproken: Ik Jan Cremers; niet alleen vanwege de onverbitterlijkheid van de bestseller en de slimme promotie door provocerende Jan, maar ook omdat mijn vader Jan Cremer(s) heette.

Mijn broer Ger verslond Kasteelromannetjes en Idylle’s. Ik heb één keer zo’n Idylle geprobeerd; deed er twee weken over.

Trots toonde ik de Navolging van Christus op school aan Broeder Modestus. “Veel te moeilijk voor jou”. Daar had hij gelijk in. Ik worstelde me door de 15de eeuwse mystiek van Thomas á Kempis zonder er ook maar iets van te begrijpen en was verheugd toen na vele bladzijden etherische tekst eindelijk de aanhalingstekens werden geopend voor een citaat; een smeekbede van A Kempis aan god.

Afgelopen jaar kocht ik naar aanleiding van een lang interview op TV met voormalig minister Witteveen een door hem geredigeerd boek over soefisme. Voor mij net zo onleesbaar als destijds Navolging van Christus. Ik heb niets met geloof en godsdienst. Integendeel.

De liefde voor het boek werd niet met de paplepel ingegeven. Mijn vader vond het maar flauwekul boeken die je gelezen hebt te bewaren. Vandaar zo’n klein boekenkastje thuis. De Dorébijbel voor het katholieke gezin werd niet weggegooid. De twee delen Kleine Winkler Prins, en, hoe verdwaald in dat kastje, het boek over Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen van Stoet ook niet. Bijbel, WP en Stoet gooi je niet weg. Gelukkig niet, want ik heb er uren in gebladerd en veel uit geleerd. Geleerd uit de bijbel? Niet echt, maar het boek is mij, geloofsafvallige, blijven interesseren. Om zijn ontstaansgeschiedenis, de verbazend homogene inhoud, de omvang, en de vermenging van feit en fictie blijft de fascinatie.

Op de middelbare school bracht ik vele uren door in boekwinkels, vaak ook op de destijds nog zeer goede boekenafdelingen van Vroom & Dreesman en de Bijenkorf. Soms samen met Ronald Lempke – is er ook al een jaar of tien niet meer – maar vaak ook alleen. Ronald was meer dan ik een lezer. Hij bracht mij op het spoor van Hugo Claus. Omtrent Deedee was mijn eerste Claus. ‘Borsten die als speldenkussens op de trapleuning lagen’ was voor de puberende Ton een realistische, fantasieprikkelende beeldspraak. Op school liepen we, aan de hand genomen door een enthousiasmerende leraar, de Nederlandse literatuurcanon door. Hij las hele stukken voor. Er werd door hem zaad gestrooid op mijn vruchtbare bodem, zoals leraar John Keating bij zijn studenten deed op de particuliere middelbare school Welton, Vermont, in de Dead Poets Society. Ik las het boek niet, maar zag de klassieke film met Robin Williams (2014 overleden) als Keating meerdere keren.

Vele jaren en vele boeken later – De mandarijnen van Simone de Beauvoir las ik gekluisterd aan een grote fauteuil in twee dagen uit – kwam ik in contact met John Aarden uit Rotterdam. Een getalenteerde handelaar, maar vooral ook boeken- en prentenhandelaar. Ik heb veel van hem geleerd, maar heb gelukkig niet zijn paranoia niets te verdienen overgenomen. Daarin was John onhandig. Met John ging het later mentaal snel bergaf. Na enkele opnames in psychiatrische ziekenhuizen pleegde hij zelfmoord. Hij was halverwege de vijftig.

Boekhandelaar Ben Vriends, een prachtige kerel met de uitstraling van een charlatan – misschien was hij dat ook wel – zei mij ooit: “John verliest een gulden winst uit het oog omdat hij zich druk maakt om een dubbeltje” (hoe snel zal het aantal mensen afnemen die het woord ‘dubbeltje’ kennen?). Ben kon op de markt in Den Haag, voordat de muur viel, fanatiek de Sovjet Unie verdedigen. Hij was theoretisch communist; praktisch een kapitalistische scharrelaar.

Ben Vriends: overleden. Ook overleden: Frans Rouw, specialist in theologische boeken. Eind jaren 90 kreeg hij, nog geen vijftig, een hersenbloeding. Een paar jaar later was hij dood.

Ik assisteerde John Aarden één seizoen, mei tot oktober 1979, op de donderdagse boekenmarkt aan het Voorhout in Den Haag. John was mijn mentor. Tegen het einde van het seizoen opperde hij dat we een compagnonschap aan zouden gaan. Een benauwende gedachte; niet iets dat ik wilde. Tijdens het gesprek dat we over de details zouden hebben, ik wilde me uit deze situatie wurmen, viel John met de deur in huis dat hij nog eens nagedacht had en dat samenwerking niet haalbaar zou zijn omdat ik mij dan in zou moeten kopen in zijn, omvangrijke, voorraad. Probleem opgelost.

Enkele dagen later, een zaterdagochtend najaar 1979 ging ik naar de Zwarte Markt in Beverwijk. Ik had besloten zelfstandig handelaar in 2de hands boeken te zijn en ging op zoektocht. Het was het eerste, of tweede jaar dat die markt in Beverwijk was. Nog in oude veilinghallen en voordat het een markt van dubieuze handel werd.

Teutsche Ornithologie oder Naturgeschichte aller Vögel Teutschlands in naturgetreuen Abbildungen und BeschreibungenJohan Conrad Susemihl

 

Op de Zwarte Markt stond een postzegelhandelaar uit Heemstede. Op zijn kraam had hij, naast al die vage postzegelprullaria, één boek liggen: “Teutsche Ornithologie oder Naturgeschichte aller Vögel Teutschlands in naturgetreuen Abbildungen und Beschreibungen” van Johann Conrad Susemihl (1767 – 1847). Eén deel uit een reeks en in een nogal slechte staat. Folio formaat met paginagrote, ingekleurde kopergravures. Veel prenten hadden scheurtjes en lelijke vouwen, maar één ding was voor mij duidelijk: oorspronkelijk een prachtwerk.

Er stonden wat mij bekende en niet-bekende ‘boekhandelaren’ te dralen en te discussiëren bij het boek. De prijs: fl. 150,00. Precies het bedrag dat ik bij mij had. Zonder gedoe over korting betaalde ik de postzegelhandelaar en vertrok. Het had geen zin verder over de markt te gaan. In de trein naar Rotterdam bladerde ik mijn prooi door. In Rotterdam ging ik linea recta naar de boekenmarkt om mijn vondst aan John Aarden te tonen. Hij sprak het niet uit, maar mijn inschatting was dat hij zich verbeet. Ben Vriends bekeek het boek met c. 40 prenten gewichtig en schatte dat de prenten, uit het boek gehaald en ingelijst, zeker fl. 150,00 per stuk moesten opleveren.

Wie zou het kopen? Antiquariaat Belrose aan de Mauritsweg. Een vreemde zaak. Allegaar aan oude en nieuwe boeken, ingelijste prenten variërend van topografische tot bloemen en dieren, en in de kelder, een uitgebreide voorraad erotiek (eufemisme voor voornamelijk keiharde porno). De eigenaar verdiende daar zijn geld mee, vooral via de export naar Duitsland.

Ik bood hem het boek van Susemihl aan voor fl.3.500,00. Wie niet waagt.. Na, in mijn ondeskundigheid, veel te hart onderhandelen, ik dreigde zelfs het boek mee te nemen en naar de concurrent Kok’s Boekentoko aan de Oude Hoogstraat in Amsterdam te gaan, legde hij het bedrag integraal op tafel. Geen slechte score met mijn eerste aankoop.

De postzegelhandelaar uit Heemstede heb ik later benaderd of hij meer interessants had. Dat had hij: de complete reeks, groot formaat, Duizendenéénnacht met de ingeplakte illustraties door Anton Pieck. Kosten Fl. 1.000,-. Kocht ik voor Fl. 1.100,- door aan Jan Wander, voormalig groenteboer en nu de zingende Rotterdamse boekhandelaar. Jan’s zoon Richard handelt nog steeds op de Rotterdamse markt in boeken.

Er was in Heemstede ook nog een tweede Susemihl. Het leek erop dat de postzegelhandelaar mij bijna kwalijk nam dat hij het eerste deel veel te goedkoop verkocht. We konden niet tot overeenstemming komen. Hij woonde in een fraaie, vrijstaande villa in Heemstede met sombere inrichting. Het hoofdkwartier van een extreem conservatieve, geheime katholieke kliek. Het voelde daar niet goed. Beetje enge, groezelige mensen.

In de winter van 1979/1980 boog ik me over Uit De wereld van het boek door H. de la Fontaine Verwey. Ik verslond die vier delen. De schriften met aantekeningen moeten nog ergens in mijn berging rondslingeren. Nooit eerder heb ik zo fanatiek en consequent studie van een onderwerp gemaakt. Avond na avond. Eenmaal in bed pijnigde ik mijn geheugen om het gelezene weer in mijn brein te laten passeren. Namen als Francesco Griffo en Ludovico degli Arrighi (letterontwerpers) liggen voor altijd vast in mijn geheugen. Evenals complexe boektitels als Hypnerotomachia Poliphili, Speculum Humanae Salvationis, De civilitate morum puerilium en Moriae encomium, sive Stultitiae laus. Ik werd fan van de Venetiaanse drukker Aldus Manutius omdat hij fraai typografisch vormgegeven boeken drukte en uitgaf, in een modern aandoend lettertype. Mijn ‘antiquariaat’ noemde ik Aldus M.

Ik weet dankzij De la Fontaine Verwey meer over Geert Grote, Pieter Coecke van Aelst, De Atlas Maior van Blaeu en de uitgeversbanden. Ik weet door hem dat de naam ‘miniatuur’ voor afbeeldingen in manuscripten niets te maken heeft met het formaat, maar met de grondstof voor de rode kleur: menie. Niet Coster, jammer voor Haarlem, maar Jacob Gensfleisch vond de kunst uit boeken te drukken met losse, loden letters. Zijn 42-regelige bijbel is in een goed beveiligde vitrine, geplaatst in een kluis met 50cm dikke deuren, in het Gutenberg Museum in Mainz, ik was er meerdere keren, te bewonderen.

Het eerste boek gedrukt met losse, loden letters is nog steeds na ruim 550 jaar één van de mooiste boeken ooit. Hoe kan dat? Hoe kan het dat een van de eerste schilderijen gemaakt met olieverf, de Aanbidding van het lam gods door de broers Van Eyck, nog steeds tot de top uit de geschiedenis van de schilderkunst hoort? Hoe komt het dat Daguerre, niet helemaal terecht alom gezien als de ontdekker van de fotografie, daguerreotypieën maakte die nog steeds scherper zijn dan vele fototechnieken die later gevonden werden? Heeft mij altijd geboeid: de eersten bleven behoren tot de besten. De boekdrukkunst verspreidde zich binnen enkelen tientallen jaren over de wereld. De fotografie van Daguerre verspreidde zich sneller over de aarde dan in de 20ste eeuw de persoonlijke computer.

Drukken met losse letters werd uitgevonden op zoek naar een goedkopere manier om boeken te maken.

Het manuscripten monnikenwerk in kloosters leidde tot veel te dure producten. Boeken bleven lang door deze productiemethode schaars. Volgens Umberto Eco bestond er in de tijd waarin zijn roman In de naam van de roos speelde, een bibliotheek met tienduizenden boeken. Echter, in de bibliotheek van de Sorbonne, destijds de omvangrijkste ter wereld, bevonden zich ‘slechts’ 800 boeken.

Met de eerste boeken van los zetsel probeerden de drukkers manuscripten te imiteren. Ze zien er daarom, de fraaiste exemplaren ten minste, uit als manuscripten met handgekleurde initialen en illustraties, en zonder titelblad. Je donderde bij opening meteen in het boek. Dat duurde nog bijna vijftig jaar zo; de tijd tussen 1450 en 1500, waarin de wiegedrukken (incunabelen) der boekdrukkunst werden gemaakt.

De wereld van manuscripten, incunabelen, post-incunabelen, de wereld van fraaie typografie en de Venetiaan Aldus Manutius, van de Fransman-Antwerpenaar Christophe Plantin tot aan William Morris’ 19de eeuwse Kelmscott Press en van de 20ste en 21ste eeuwse bibliofiele uitgaven en grafische kunst heeft voor mij meer geheimen, dan ‘open boeken’. Ik zie mijzelf als een redelijk geïnformeerde liefhebber. Niet als een expert.

Was Uit de wereld van het boek mijn wegwijzer door grote delen boek- en cultuurgeschiedenis, Ad van der Blom’s Tekenen dat het gedrukt staat werd mijn bron van kennis over grafische technieken zoals houtsnede, kopergravure, ets, taille-douce, litho, houtgravure, offset etc.

Ernie Quist, destijds mede met Willem van Baardewijk eigenaar van antiquariaat Rabelais (ter ziele) in Rotterdam, adviseerde mij Van der Blom’s boek. Een goed advies dat ik vaak aan anderen door gaf. Tweedehands is het boek nog voor een sympathieke prijs van twee tientjes te koop. Wie het niet heeft, moet het kopen. Een rijke bron.

De vette winst op het boek van Johann Conrad Susemihl zette ik niet om in meer kapitaal. Er waren wel vaker welkome meevallers, maar niet met zo’n winstpercentage.

Vanaf mei 1980 was ik ingeschreven in de Kamer van Koophandel als ambulant boekhandelaar en stond met vergunning en al op de zomerse Boeken- en antiekmarkt in Den Haag. Die markt kende ik al sinds 1967 toen ik werkte bij het Ministerie van Onderwijs aan de Nieuw Uitleg in Den Haag. Na mijn werk, of tijdens de middagpauze ging ik regelmatig die markt over. Nu stond ik daar met mijn boeken en werd geslachtofferd door landerige ambtenaren die op de markt toeristisch slenterend hun middagpauze doorbrachten. Na de eenzame boekenstudie tijdens de wintermaanden kon ik me nu presenteren met een kraam goede kwaliteit antiquarische boeken zoals je tegenwoordig op wekelijkse boekenmarkten niet meer ziet. Veel van de betere boeken kocht ik op Duitse veilingen.

Het was de start van twee jaren bloeiende negotie.

Op donderdag stond ik de zomermaanden van 07.00 tot 21.00 u op de markt aan het Voorhout. Eens per maand ging ik, na mijn voorraad in Hoogvliet gebracht te hebben, ‘s nachts naar Parijs waar ik de hele dag schooierde langs de Seine-oever en in allerlei antiquariaten. De prijzen in FF werden voor mij, zonder het bedrag te wijzigen prijzen in Fl. Kwestie van 1 F weggommen. De moeite van de reizen naar Parijs waard.

Eén keer gingen L., Th. en B. mee naar Parijs. We sliepen in het Bois de Boulogne in onze oude Ford Transit. Dat zou je tegenwoordig in een dergelijke omgeving niet doen. Ik zie B. nog op een vroege ochtend langs het water uitgebreid in gesprek met een visser. De Fransman en hij verstonden elkaar niet, maar dat was voor B. geen belemmering het gesprek vol te houden en vraag na vraag te stellen.

Er zwerft nog ergens een foto rond waarop ik met Th. en B. op een bankje de aangekochte boeken doorbladerde. Het waren vier (?) zeer gelukkige, zomerse dagen.

Na twee jaar op de markt kelderde de economie en van ‘booming business’ kwam de handel in antiquarische boeken voor velen van ons tot stilstand. Er waren op het Voorhout geen klanten meer die bereid waren voor antiquarische boeken de portemonnee te trekken. Mijn winkeltje aan de Zaagmolendrift bloedde dood en ik verhuisde met mijn handel naar de Zwaanshals. Een winkel die ik alleen gebruikte voor opslag.

Toch was er nog een meevaller. Ik werd benaderd door Lydia Oorthuys, de weduwe van Cas Oorthuys en beheerder van Cas’ archief. Ze wilde wat over was van Cas’ boekenverzameling verkopen. Behalve mij schakelde ze ook gerenommeerde antiquaren als André Swertz en Niek Waterbolk in. Ik stond op het punt op vakjantie te gaan en gaf Lydia door mij gemaakte catalogi waarin ze kon vinden wat ik voor boeken als de hare vroeg. Ze kon zelf uitrekenen, veel van haar boeken had ik eerder gehad, wat ze van mij kon verwachten. Na drie weken vakantie ging ik weer bij haar langs. Ze had het niet op kunnen brengen zelf aan het rekenen te gaan en vroeg mij een bod te doen. Mijn bod oversteeg dat van Schwertz; Waterbolk had niets van zich laten horen.

In eerdere catalogi die ik de wintermaanden stuurde naar klanten in binnen- en buitenland bood ik al fotoboeken aan. Nu kon ik met de verzameling, of wat daar van over was, boeken van Cas Oorthuys, plus fotoboeken die ik in de loop van de tijd her en der inkocht, een afzonderlijke catalogus fotografie maken, Een geïllustreerde catalogus. Die catalogus werd een standaardwerk. Zelfs nu, na meer dan 30 jaar, kwam ik hem in een antiquariaat tegen. De antiquaar gebruikte hem als naslag in zijn handbibliotheek. Een compliment.

De liefde voor het boek zit er bij mij diep in. Zo diep, dat bezoeken aan boekhandels nog steeds zelfs fysiek effect op mij hebben. Eén keer ontmoette ik iemand die daar ook last van had: Hellen van W., destijds de echtgenote van Simon van W., een Haagse verzamelaar die het van de verzamelopwinding (of de half-zware shag) aan zijn hart kreeg. Een groot kenner van boeken. Ook van hem leerde ik veel.

Boeken zijn niet alleen om te lezen. Het zijn ook magische objecten. Boeken in talen die je niet beheerst, zijn mythisch. Digitale readers zullen op de lange duur het boek niet verslaan. Geen mooiere wandversiering dan een kast met boeken, liefst van vloer tot plafond. De geschiedenis van het boek, is de geschiedenis van de mens en zijn cultuur. Een boek in je hand is papier, vormgeving, gewicht, een kluis vol informatie, ideeën en emotie. Niets aangenamer dan met het gedrukte woord in een luie stoel op schoot, of aan tafel zitten met een boek voor je.

Boek is ambacht. Ambacht van de schrijver, de zetter, de letterontwerper, de drukker, binder, maar ook de uitgever en de verkoper. Boeken roepen gretigheid op tot verzamelen. Boeken zijn ook status. Soms is het woede. Afgelopen december nog riep een boek omdat één keer het woord ‘neger’ erin gebruikt werd zoveel woede op dat een kleine groep mensen het nodig vond een exemplaar symbolisch te verbranden hartje Amsterdam. Amsterdam nota bene. De stad van Willem Jansz Blaeu, de stad van de Nederlandse Boekhistorische Vereniging, de stad van meesterbinder Albert Magnus, van de uitgevers Cornelis Claesz en Laurent Jacobsz, van toonaangevende boekenwinkels en bibliotheken, ook de stad van Rembrandt als illustrator. De stad met een rijke boekengeschiedenis. En daar gaan dan een stel geborneerde malloten symbolisch een boek verbranden. Vloeken in de kerk.

Nu maar zien of ik mij aan het zelf opgelegde verbod boeken te kopen weet te houden. Ik vrees het ergste.

Bertus G. Antonissen

 

Geef een reactie