Jett Rebel? Ed Sheeran!!

Ed Sheeran

 

 

 

 

Had niet van Ed Sheeran gehoord.

Een verloren zondagmiddaguurtje NPO Uitzendinggemist en nieuwsgierig gemaakt: ‘De ex-dakloze Singer-songwriter Ed Sheeran speelt in een uitverkocht Wembley Stadium voor meer dan 80.000 mensen.’

Ik volg al die nieuwe DWDD ‘megasterren’ – als Warhol over één categorie gelijk had met ‘iedereen een kwartier wereldberoemd’, dan is het wel over die categorie – al lang niet meer.

Een karikaturale gotspe is de wijze waarop iedere keer weer die androgyne, over het paard getilde aansteller Jett Rebel door Van Nieuwkerk wordt aangekondigd. Een ‘supertalent’. Ja, misschien voor een HAVO-3 klassenavond..

Sheeran, hoe simpel: man en gitaar en dat is het dan, en een heel stadion dat ontroerd meezingt.

Uniek: iemand die muziek maakt. Geen overbetaalde DJ-computerfreak met privévliegtuig, geen onverstaanbare Nederlandse rappers, geen ‘bro-cultuur’ schuttingtaal uit de USA, geen muziekclips met meidenvleesvertoon alsof er nooit feministische golven waren, gewoon een jongen met een gitaar.

Manifesteert zich hier een generatiekloof dat ik zo’n ouderwetse zanger-muziekmaker verkies boven al die trendy schreeuwtechnologie en de opgeklopte kitsch van Rebel, of is het simpelweg een kwestie van goede smaak?

De geschiedenis zal het leren.

Bertus G. Antonissen

 

Typen

CHarly Parker

Was het William S. Burroughs of Truman Capote die over Jack Kerouac en zijn On the road zei: “Dat is geen schrijven, dat is typen”. Mijn inschatting is dat dandy Capote verantwoordelijk is voor deze afgunstige (?) opmerking over Kerouac’s razende manier van schrijven. Hij zou On the road april 1951 in drie weken geschreven, getypt hebben. Het idee voor het boek ontstond in de late jaren veertig. Misschien broeide het boek al aan paar jaar in zijn hoofd en was het slechts nog een kwestie van typen. Het was ‘method writing’; het boek gaat over een voortrazend verhaal, grotendeels een sleutelroman, en de beste manier om die razernij in het boek te uiten, was een razend schrijftempo.

Kerouac typte zijn tekst op rollen papier zodat hij niet steeds zijn werk hoefde te onderbreken om nieuw papier in de typemachine te doen. Het relaas over deze manier van typen gaat al meer dan 50 jaar van geschrift tot geschrift. Is het een mystificatie door Kerouac de wereld in gebracht? Ik sluit het niet uit.

Reve zei in de Grote Gerard Reve Show voor de VPRO-TV (mei 1974): “Ik heb een winkeltje”. Reve wist die winkel altijd goed te promoten en uit te baten. Ook Kerouac had een winkeltje en moest voor een uitnodigende etalage zorgen om zijn product aan de man te brengen. Als Boudewijn Büch in Kleine blonde dood mag mystificeren over een overleden zoontje, dan is een mystificatie over de wijze waarop een boek tot stand kwam en over de autobiografische elementen daarvan acceptabel.

Kerouac heeft het imago van een benzedrine snuivende, pot rokende en veel alcohol drinkende rebel; nacht na nacht luisterend naar Charlie Parker. Tot vervelens toe door hem beschreven in On the road. Zijn relaas over de wilde tochten door de Verenigde Staten schreef Kerouac aan de keukentafel bij zijn moeder. Het is heel goed mogelijk dat veel van zijn woeste reisavonturen in de beslotenheid van zijn moeders huis ontstonden.

Ik heb een speciale relatie met het boek. Misschien had ik er weleens van gehoord toen ik begin januari 1971 met de Greyhound aankwam in Iowa City. Op rondreis door de USA was Iowa City mijn eerste stop na een maand YMCA aan de 47st straat in New York (een verhaal apart). Ik bezocht in Iowa Ann H. Had haar en Christine H. (geen zusje) augustus 1969 in Londen ontmoet. We staken, toevallig, met dezelfde nachtboot over van Harwich naar Hoek van Holland en spraken in Amsterdam af. Beide meiden kochten op Schiphol een Fiat om drie maanden door Europa te gaan trekken. Ik hield met hen contact via brief en kaart.

December 1970 ging ik, 22 jaar, voor het eerst naar de USA met het plan ook drie maanden rond te trekken. In Iowa City ontmoette ik dus Ann en haar vriend. Die vriend vertelde mij over Kerouac en On the road en gaf mij een zakformaat paperback mee. Volgens Kerouac komen de mooiste meisjes uit Des Moines, Iowa. Die opmerking wordt in Iowa nog steeds met trots gememoreerd. Ik zal Kerouac niet tegenspreken.

In Iowa, volgens sommigen het Staphorst van de USA, zag ik de mooiste, klaarheldere winterluchten ooit. Het vroor 10 tot 15 graden, maar wat een helderheid. Het lijkt op vele plaatsen in de USA dat het licht helderder is dan elders. Misschien is dat verklaring voor de prachtige landschapsfotografie door Ansel Adams – ik bezocht zijn favoriete landschapsmodel Big Sur in Californië – en Edward Weston.

Tijdens mijn twee maanden Greyhouden, ik maakte ook nog een uitstap naar Mexico City van een week, werd On the road niet persé mijn gids; bij toeval passeerde ik veel plaatsen die Kerouac tijdens zijn dodemansritten ook passeerde.

Het boek kreeg daardoor voor mij een bijzondere betekenis: herkenning.

De Avonden van Reve en On the road van Kerouac zijn het vaakst door mij aanbevolen boeken.

Er is nog een overeenkomst tussen beide boeken: vrijwel nooit deelden anderen mijn enthousiasme over het dolen van Frits van Egters en Sal Paradise.

Bertus G. Antonissen

 

Amor librorum (werk in uitvoering…)

19 febr. 2000. Kraambed L. in afwachting geboorte M. Van de bevalling weet ik vrijwel niets meer; van het boek - Groepsfoto met dame door Böll - bijna alles. Om me te schamen.
19 febr. 1980. Kraambed L. in afwachting geboorte M. Van de bevalling weet ik vrijwel niets meer; van het boek – Groepsfoto met dame door Böll – bijna alles. Om me te schamen.

Ik heb mijzelf vanaf 1 januari 2016 een verbod opgelegd boeken te kopen. Er is nog één bestelling onderweg, het boek van Hannah Arend over Eichmann, en dat is het dan.

Gisteren met Henk S. een paar biertjes gedronken in De Boterwaag aan de Grote Markt in Den Haag. Het beste boek dat hij ooit las: Romulus mijn vader, van Raimond Gaita. Heel enthousiast. Ik houd, ondanks Henks dwingende aanbeveling, voet bij stuk en ga het niet kopen.

De magie van het boek heeft mij mijn hele leven, zo lijkt het, al in de ban. Op de lagere school, na de leeftijd van de Daantje boeken of De schrik van de Imbosch gepasseerd te hebben, las ik Damiaan de melaatse. Kan mij nog stukken uit het boek herinneren. Vooral het moment waarop Damiaan ontdekte zelf besmet te zijn met lepra. Hij waste zijn voeten in heet water en voelde niet de hitte van het water. Besmet. Ook: In navolging van Christus (De imitatione Christi) van Thomas á Kempis. Prisma paperbacks op vergeeld papier die bij ons thuis in de kast stonden. Kastje, eerder, want het leesaanbod was beperkt. Hollands Glorie in een goedkope editie met blauwkartonnen band, soms zie ik nog een exemplaar op boekenbeurzen, bewoog mij tot tranen, vooral toen Jan Wandelaar na een lange reis vernam dat zijn vrouw in het kraambed overleden was. Tranen die ik enkele jaren eerder plengde over de zoektocht van Remy en de dood van Vitalis in Alleen op de wereld van Marlot.

Van Jan de Hartog las ik, na de lagere school, Gods Geuzen, gezeten op een Schevenings havenhoofd, nog voordat de havenhoofden met grote betonblokken verlengd werden. Ik verkoos de vrijheid van Victor Kravchenko was bij ons ‘boek van het jaar’. Het was de koude oorlog met de inval in Boedapest en de bouw van de Berlijnse muur. Kravchenko opende ons de ogen. Of niet? Kravchenko ontvluchtte de Sovjet Unie toen hij bij de VN in New York werkzaam was. Zijn boek kwam in 1946 uit en werd dankzij communistische anti-propaganda vanaf het begin verdacht als Amerikaanse propaganda. Met Kravchenko liep het niet goed. Hij verdiende veel, onder andere in de Peruaanse mijnbouw, maar vergokte nog meer. Februari 1966 pleegde hij in een New Yorkse hotelkamer zelfmoord.

Hollands Glorie verscheen in 1940; De Avonden van Reve in 1947. Dat laatste boek bereikte ons huis niet; evenmin als boeken van andere na-oorlogse schrijvers, geprezen als grote talenten, zoals Hermans en Mulisch. Alleen al van Hollands Glorie werden meer exemplaren gedrukt dan van het complete werk van Reve en Hermans samen. HG werd/wordt gezien als triviaal-, vertelliteratuur. Ik verslond het boek. Ook; Terug tot Ina Damman van Vestdijk en De Avonden, met rode konen, wat een boek, alsof sommige delen over mij en mijn vader gingen. De laatste bladzijde lees ik nog af en toe, niet vaak genoeg, opnieuw. Evenals de laatste bladzijden van On the road, van Jack Kerouac. Vanwege het autobiografische karakter van dat boek verwijt ik Kerouac iedere keer weer dat hij (Sal Paradise) zijn vriend Dean Moriarty in de regen op straat achterliet. Maar goed, dat is allemaal van later. On the road kwam uit in 1957; ik las het pas begin 1970 op rondreis door de Verenigde Staten. In de late jaren zestig had de driedelige Rosy Crucifixion van Henry Miller een belang van bijbelse proporties voor enkele vrienden en voor mij. Wat een taal! Sexus, Plexus en Nexus hadden invloed op onze stellingname in het leven.

Niet in huis, maar wel veel besproken: Ik Jan Cremers; niet alleen vanwege de onverbitterlijkheid van de bestseller en de slimme promotie door provocerende Jan, maar ook omdat mijn vader Jan Cremer(s) heette.

Mijn broer Ger verslond Kasteelromannetjes en Idylle’s. Ik heb één keer zo’n Idylle geprobeerd; deed er twee weken over.

Trots toonde ik de Navolging van Christus op school aan Broeder Modestus. “Veel te moeilijk voor jou”. Daar had hij gelijk in. Ik worstelde me door de 15de eeuwse mystiek van Thomas á Kempis zonder er ook maar iets van te begrijpen en was verheugd toen na vele bladzijden etherische tekst eindelijk de aanhalingstekens werden geopend voor een citaat; een smeekbede van A Kempis aan god.

Afgelopen jaar kocht ik naar aanleiding van een lang interview op TV met voormalig minister Witteveen een door hem geredigeerd boek over soefisme. Voor mij net zo onleesbaar als destijds Navolging van Christus. Ik heb niets met geloof en godsdienst. Integendeel.

De liefde voor het boek werd niet met de paplepel ingegeven. Mijn vader vond het maar flauwekul boeken die je gelezen hebt te bewaren. Vandaar zo’n klein boekenkastje thuis. De Dorébijbel voor het katholieke gezin werd niet weggegooid. De twee delen Kleine Winkler Prins, en, hoe verdwaald in dat kastje, het boek over Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen van Stoet ook niet. Bijbel, WP en Stoet gooi je niet weg. Gelukkig niet, want ik heb er uren in gebladerd en veel uit geleerd. Geleerd uit de bijbel? Niet echt, maar het boek is mij, geloofsafvallige, blijven interesseren. Om zijn ontstaansgeschiedenis, de verbazend homogene inhoud, de omvang, en de vermenging van feit en fictie blijft de fascinatie.

Op de middelbare school bracht ik vele uren door in boekwinkels, vaak ook op de destijds nog zeer goede boekenafdelingen van Vroom & Dreesman en de Bijenkorf. Soms samen met Ronald Lempke – is er ook al een jaar of tien niet meer – maar vaak ook alleen. Ronald was meer dan ik een lezer. Hij bracht mij op het spoor van Hugo Claus. Omtrent Deedee was mijn eerste Claus. ‘Borsten die als speldenkussens op de trapleuning lagen’ was voor de puberende Ton een realistische, fantasieprikkelende beeldspraak. Op school liepen we, aan de hand genomen door een enthousiasmerende leraar, de Nederlandse literatuurcanon door. Hij las hele stukken voor. Er werd door hem zaad gestrooid op mijn vruchtbare bodem, zoals leraar John Keating bij zijn studenten deed op de particuliere middelbare school Welton, Vermont, in de Dead Poets Society. Ik las het boek niet, maar zag de klassieke film met Robin Williams (2014 overleden) als Keating meerdere keren.

Vele jaren en vele boeken later – De mandarijnen van Simone de Beauvoir las ik gekluisterd aan een grote fauteuil in twee dagen uit – kwam ik in contact met John Aarden uit Rotterdam. Een getalenteerde handelaar, maar vooral ook boeken- en prentenhandelaar. Ik heb veel van hem geleerd, maar heb gelukkig niet zijn paranoia niets te verdienen overgenomen. Daarin was John onhandig. Met John ging het later mentaal snel bergaf. Na enkele opnames in psychiatrische ziekenhuizen pleegde hij zelfmoord. Hij was halverwege de vijftig.

Boekhandelaar Ben Vriends, een prachtige kerel met de uitstraling van een charlatan – misschien was hij dat ook wel – zei mij ooit: “John verliest een gulden winst uit het oog omdat hij zich druk maakt om een dubbeltje” (hoe snel zal het aantal mensen afnemen die het woord ‘dubbeltje’ kennen?). Ben kon op de markt in Den Haag, voordat de muur viel, fanatiek de Sovjet Unie verdedigen. Hij was theoretisch communist; praktisch een kapitalistische scharrelaar.

Ben Vriends: overleden. Ook overleden: Frans Rouw, specialist in theologische boeken. Eind jaren 90 kreeg hij, nog geen vijftig, een hersenbloeding. Een paar jaar later was hij dood.

Ik assisteerde John Aarden één seizoen, mei tot oktober 1979, op de donderdagse boekenmarkt aan het Voorhout in Den Haag. John was mijn mentor. Tegen het einde van het seizoen opperde hij dat we een compagnonschap aan zouden gaan. Een benauwende gedachte; niet iets dat ik wilde. Tijdens het gesprek dat we over de details zouden hebben, ik wilde me uit deze situatie wurmen, viel John met de deur in huis dat hij nog eens nagedacht had en dat samenwerking niet haalbaar zou zijn omdat ik mij dan in zou moeten kopen in zijn, omvangrijke, voorraad. Probleem opgelost.

Enkele dagen later, een zaterdagochtend najaar 1979 ging ik naar de Zwarte Markt in Beverwijk. Ik had besloten zelfstandig handelaar in 2de hands boeken te zijn en ging op zoektocht. Het was het eerste, of tweede jaar dat die markt in Beverwijk was. Nog in oude veilinghallen en voordat het een markt van dubieuze handel werd.

Teutsche Ornithologie oder Naturgeschichte aller Vögel Teutschlands in naturgetreuen Abbildungen und BeschreibungenJohan Conrad Susemihl

 

Op de Zwarte Markt stond een postzegelhandelaar uit Heemstede. Op zijn kraam had hij, naast al die vage postzegelprullaria, één boek liggen: “Teutsche Ornithologie oder Naturgeschichte aller Vögel Teutschlands in naturgetreuen Abbildungen und Beschreibungen” van Johann Conrad Susemihl (1767 – 1847). Eén deel uit een reeks en in een nogal slechte staat. Folio formaat met paginagrote, ingekleurde kopergravures. Veel prenten hadden scheurtjes en lelijke vouwen, maar één ding was voor mij duidelijk: oorspronkelijk een prachtwerk.

Er stonden wat mij bekende en niet-bekende ‘boekhandelaren’ te dralen en te discussiëren bij het boek. De prijs: fl. 150,00. Precies het bedrag dat ik bij mij had. Zonder gedoe over korting betaalde ik de postzegelhandelaar en vertrok. Het had geen zin verder over de markt te gaan. In de trein naar Rotterdam bladerde ik mijn prooi door. In Rotterdam ging ik linea recta naar de boekenmarkt om mijn vondst aan John Aarden te tonen. Hij sprak het niet uit, maar mijn inschatting was dat hij zich verbeet. Ben Vriends bekeek het boek met c. 40 prenten gewichtig en schatte dat de prenten, uit het boek gehaald en ingelijst, zeker fl. 150,00 per stuk moesten opleveren.

Wie zou het kopen? Antiquariaat Belrose aan de Mauritsweg. Een vreemde zaak. Allegaar aan oude en nieuwe boeken, ingelijste prenten variërend van topografische tot bloemen en dieren, en in de kelder, een uitgebreide voorraad erotiek (eufemisme voor voornamelijk keiharde porno). De eigenaar verdiende daar zijn geld mee, vooral via de export naar Duitsland.

Ik bood hem het boek van Susemihl aan voor fl.3.500,00. Wie niet waagt.. Na, in mijn ondeskundigheid, veel te hart onderhandelen, ik dreigde zelfs het boek mee te nemen en naar de concurrent Kok’s Boekentoko aan de Oude Hoogstraat in Amsterdam te gaan, legde hij het bedrag integraal op tafel. Geen slechte score met mijn eerste aankoop.

De postzegelhandelaar uit Heemstede heb ik later benaderd of hij meer interessants had. Dat had hij: de complete reeks, groot formaat, Duizendenéénnacht met de ingeplakte illustraties door Anton Pieck. Kosten Fl. 1.000,-. Kocht ik voor Fl. 1.100,- door aan Jan Wander, voormalig groenteboer en nu de zingende Rotterdamse boekhandelaar. Jan’s zoon Richard handelt nog steeds op de Rotterdamse markt in boeken.

Er was in Heemstede ook nog een tweede Susemihl. Het leek erop dat de postzegelhandelaar mij bijna kwalijk nam dat hij het eerste deel veel te goedkoop verkocht. We konden niet tot overeenstemming komen. Hij woonde in een fraaie, vrijstaande villa in Heemstede met sombere inrichting. Het hoofdkwartier van een extreem conservatieve, geheime katholieke kliek. Het voelde daar niet goed. Beetje enge, groezelige mensen.

In de winter van 1979/1980 boog ik me over Uit De wereld van het boek door H. de la Fontaine Verwey. Ik verslond die vier delen. De schriften met aantekeningen moeten nog ergens in mijn berging rondslingeren. Nooit eerder heb ik zo fanatiek en consequent studie van een onderwerp gemaakt. Avond na avond. Eenmaal in bed pijnigde ik mijn geheugen om het gelezene weer in mijn brein te laten passeren. Namen als Francesco Griffo en Ludovico degli Arrighi (letterontwerpers) liggen voor altijd vast in mijn geheugen. Evenals complexe boektitels als Hypnerotomachia Poliphili, Speculum Humanae Salvationis, De civilitate morum puerilium en Moriae encomium, sive Stultitiae laus. Ik werd fan van de Venetiaanse drukker Aldus Manutius omdat hij fraai typografisch vormgegeven boeken drukte en uitgaf, in een modern aandoend lettertype. Mijn ‘antiquariaat’ noemde ik Aldus M.

Ik weet dankzij De la Fontaine Verwey meer over Geert Grote, Pieter Coecke van Aelst, De Atlas Maior van Blaeu en de uitgeversbanden. Ik weet door hem dat de naam ‘miniatuur’ voor afbeeldingen in manuscripten niets te maken heeft met het formaat, maar met de grondstof voor de rode kleur: menie. Niet Coster, jammer voor Haarlem, maar Jacob Gensfleisch vond de kunst uit boeken te drukken met losse, loden letters. Zijn 42-regelige bijbel is in een goed beveiligde vitrine, geplaatst in een kluis met 50cm dikke deuren, in het Gutenberg Museum in Mainz, ik was er meerdere keren, te bewonderen.

Het eerste boek gedrukt met losse, loden letters is nog steeds na ruim 550 jaar één van de mooiste boeken ooit. Hoe kan dat? Hoe kan het dat een van de eerste schilderijen gemaakt met olieverf, de Aanbidding van het lam gods door de broers Van Eyck, nog steeds tot de top uit de geschiedenis van de schilderkunst hoort? Hoe komt het dat Daguerre, niet helemaal terecht alom gezien als de ontdekker van de fotografie, daguerreotypieën maakte die nog steeds scherper zijn dan vele fototechnieken die later gevonden werden? Heeft mij altijd geboeid: de eersten bleven behoren tot de besten. De boekdrukkunst verspreidde zich binnen enkelen tientallen jaren over de wereld. De fotografie van Daguerre verspreidde zich sneller over de aarde dan in de 20ste eeuw de persoonlijke computer.

Drukken met losse letters werd uitgevonden op zoek naar een goedkopere manier om boeken te maken.

Het manuscripten monnikenwerk in kloosters leidde tot veel te dure producten. Boeken bleven lang door deze productiemethode schaars. Volgens Umberto Eco bestond er in de tijd waarin zijn roman In de naam van de roos speelde, een bibliotheek met tienduizenden boeken. Echter, in de bibliotheek van de Sorbonne, destijds de omvangrijkste ter wereld, bevonden zich ‘slechts’ 800 boeken.

Met de eerste boeken van los zetsel probeerden de drukkers manuscripten te imiteren. Ze zien er daarom, de fraaiste exemplaren ten minste, uit als manuscripten met handgekleurde initialen en illustraties, en zonder titelblad. Je donderde bij opening meteen in het boek. Dat duurde nog bijna vijftig jaar zo; de tijd tussen 1450 en 1500, waarin de wiegedrukken (incunabelen) der boekdrukkunst werden gemaakt.

De wereld van manuscripten, incunabelen, post-incunabelen, de wereld van fraaie typografie en de Venetiaan Aldus Manutius, van de Fransman-Antwerpenaar Christophe Plantin tot aan William Morris’ 19de eeuwse Kelmscott Press en van de 20ste en 21ste eeuwse bibliofiele uitgaven en grafische kunst heeft voor mij meer geheimen, dan ‘open boeken’. Ik zie mijzelf als een redelijk geïnformeerde liefhebber. Niet als een expert.

Was Uit de wereld van het boek mijn wegwijzer door grote delen boek- en cultuurgeschiedenis, Ad van der Blom’s Tekenen dat het gedrukt staat werd mijn bron van kennis over grafische technieken zoals houtsnede, kopergravure, ets, taille-douce, litho, houtgravure, offset etc.

Ernie Quist, destijds mede met Willem van Baardewijk eigenaar van antiquariaat Rabelais (ter ziele) in Rotterdam, adviseerde mij Van der Blom’s boek. Een goed advies dat ik vaak aan anderen door gaf. Tweedehands is het boek nog voor een sympathieke prijs van twee tientjes te koop. Wie het niet heeft, moet het kopen. Een rijke bron.

De vette winst op het boek van Johann Conrad Susemihl zette ik niet om in meer kapitaal. Er waren wel vaker welkome meevallers, maar niet met zo’n winstpercentage.

Vanaf mei 1980 was ik ingeschreven in de Kamer van Koophandel als ambulant boekhandelaar en stond met vergunning en al op de zomerse Boeken- en antiekmarkt in Den Haag. Die markt kende ik al sinds 1967 toen ik werkte bij het Ministerie van Onderwijs aan de Nieuw Uitleg in Den Haag. Na mijn werk, of tijdens de middagpauze ging ik regelmatig die markt over. Nu stond ik daar met mijn boeken en werd geslachtofferd door landerige ambtenaren die op de markt toeristisch slenterend hun middagpauze doorbrachten. Na de eenzame boekenstudie tijdens de wintermaanden kon ik me nu presenteren met een kraam goede kwaliteit antiquarische boeken zoals je tegenwoordig op wekelijkse boekenmarkten niet meer ziet. Veel van de betere boeken kocht ik op Duitse veilingen.

Het was de start van twee jaren bloeiende negotie.

Op donderdag stond ik de zomermaanden van 07.00 tot 21.00 u op de markt aan het Voorhout. Eens per maand ging ik, na mijn voorraad in Hoogvliet gebracht te hebben, ‘s nachts naar Parijs waar ik de hele dag schooierde langs de Seine-oever en in allerlei antiquariaten. De prijzen in FF werden voor mij, zonder het bedrag te wijzigen prijzen in Fl. Kwestie van 1 F weggommen. De moeite van de reizen naar Parijs waard.

Eén keer gingen L., Th. en B. mee naar Parijs. We sliepen in het Bois de Boulogne in onze oude Ford Transit. Dat zou je tegenwoordig in een dergelijke omgeving niet doen. Ik zie B. nog op een vroege ochtend langs het water uitgebreid in gesprek met een visser. De Fransman en hij verstonden elkaar niet, maar dat was voor B. geen belemmering het gesprek vol te houden en vraag na vraag te stellen.

Er zwerft nog ergens een foto rond waarop ik met Th. en B. op een bankje de aangekochte boeken doorbladerde. Het waren vier (?) zeer gelukkige, zomerse dagen.

Na twee jaar op de markt kelderde de economie en van ‘booming business’ kwam de handel in antiquarische boeken voor velen van ons tot stilstand. Er waren op het Voorhout geen klanten meer die bereid waren voor antiquarische boeken de portemonnee te trekken. Mijn winkeltje aan de Zaagmolendrift bloedde dood en ik verhuisde met mijn handel naar de Zwaanshals. Een winkel die ik alleen gebruikte voor opslag.

Toch was er nog een meevaller. Ik werd benaderd door Lydia Oorthuys, de weduwe van Cas Oorthuys en beheerder van Cas’ archief. Ze wilde wat over was van Cas’ boekenverzameling verkopen. Behalve mij schakelde ze ook gerenommeerde antiquaren als André Swertz en Niek Waterbolk in. Ik stond op het punt op vakjantie te gaan en gaf Lydia door mij gemaakte catalogi waarin ze kon vinden wat ik voor boeken als de hare vroeg. Ze kon zelf uitrekenen, veel van haar boeken had ik eerder gehad, wat ze van mij kon verwachten. Na drie weken vakantie ging ik weer bij haar langs. Ze had het niet op kunnen brengen zelf aan het rekenen te gaan en vroeg mij een bod te doen. Mijn bod oversteeg dat van Schwertz; Waterbolk had niets van zich laten horen.

In eerdere catalogi die ik de wintermaanden stuurde naar klanten in binnen- en buitenland bood ik al fotoboeken aan. Nu kon ik met de verzameling, of wat daar van over was, boeken van Cas Oorthuys, plus fotoboeken die ik in de loop van de tijd her en der inkocht, een afzonderlijke catalogus fotografie maken, Een geïllustreerde catalogus. Die catalogus werd een standaardwerk. Zelfs nu, na meer dan 30 jaar, kwam ik hem in een antiquariaat tegen. De antiquaar gebruikte hem als naslag in zijn handbibliotheek. Een compliment.

De liefde voor het boek zit er bij mij diep in. Zo diep, dat bezoeken aan boekhandels nog steeds zelfs fysiek effect op mij hebben. Eén keer ontmoette ik iemand die daar ook last van had: Hellen van W., destijds de echtgenote van Simon van W., een Haagse verzamelaar die het van de verzamelopwinding (of de half-zware shag) aan zijn hart kreeg. Een groot kenner van boeken. Ook van hem leerde ik veel.

Boeken zijn niet alleen om te lezen. Het zijn ook magische objecten. Boeken in talen die je niet beheerst, zijn mythisch. Digitale readers zullen op de lange duur het boek niet verslaan. Geen mooiere wandversiering dan een kast met boeken, liefst van vloer tot plafond. De geschiedenis van het boek, is de geschiedenis van de mens en zijn cultuur. Een boek in je hand is papier, vormgeving, gewicht, een kluis vol informatie, ideeën en emotie. Niets aangenamer dan met het gedrukte woord in een luie stoel op schoot, of aan tafel zitten met een boek voor je.

Boek is ambacht. Ambacht van de schrijver, de zetter, de letterontwerper, de drukker, binder, maar ook de uitgever en de verkoper. Boeken roepen gretigheid op tot verzamelen. Boeken zijn ook status. Soms is het woede. Afgelopen december nog riep een boek omdat één keer het woord ‘neger’ erin gebruikt werd zoveel woede op dat een kleine groep mensen het nodig vond een exemplaar symbolisch te verbranden hartje Amsterdam. Amsterdam nota bene. De stad van Willem Jansz Blaeu, de stad van de Nederlandse Boekhistorische Vereniging, de stad van meesterbinder Albert Magnus, van de uitgevers Cornelis Claesz en Laurent Jacobsz, van toonaangevende boekenwinkels en bibliotheken, ook de stad van Rembrandt als illustrator. De stad met een rijke boekengeschiedenis. En daar gaan dan een stel geborneerde malloten symbolisch een boek verbranden. Vloeken in de kerk.

Nu maar zien of ik mij aan het zelf opgelegde verbod boeken te kopen weet te houden. Ik vrees het ergste.

Bertus G. Antonissen

 

Werner Grote-Hasenbalg

Challenger

In de Van Stockum boekenveiling van december 1985 werd een van M.C. Escher’s beroemde Metamorphosen (prent van c. 20cm x 400cm) aangeboden. Ik kocht hem namens mijn klant Jan N. uit Berkeley, Californië, voor een bedrag ruim boven de geschatte prijs. Gelukkig voor Jan en een triomf voor mij. Ik stond destijds met boeken op de markt in Den Haag en een van beide eigenaren van het veilinghuis wilde mij tijdens de kijkdagen niet de hele metamorphose laten zien: “Ik ga hem niet voor je afrollen”. De man kende mij van de markt en zag mij waarschijnlijk niet als een serieuze gegadigde.

Jan N. bood aan dat ik de Metamorphose op zijn kosten naar de USA bracht. Manna B., mijn eega destijds, ging niet op mijn voorstel in samen naar Berkeley te reizen. Twee tickets voor de prijs van één was niet verleidelijk genoeg..

Dus besloot ik januari 1986 alleen te gaan, en na de prent – overigens in een perfecte staat – afgeleverd te hebben een maand rond te reizen door de USA om zoveel mogelijk antiquariaten te bezoeken, op zoek naar een witte raaf.

Het werd een very-low-budget reis met nachtenlange ritten in Greyhound bussen. Vooral nachtelijke ritten om hotelkosten te vermijden. In de sanitaire ruimtes van de busstations verfriste ik me zo goed en zo kwaad mogelijk, om daarna hele dagen rond te schooieren op zoek naar 2de-hands boekhandels en antiquariaten; van San Francisco, tot Los Angeles, Hollywood, San Diego, langs de hele Amerikaanse zuidgrens via San Antonio en El Paso tot New Orleans, Tampa, Miami en langs de oostkust, onder andere Charleston en Washington, met een uitstap naar Boston en ten slotte New York voor de terugvlucht. De enige toeristische uitstap die ik mij gunde was naar Flagstaff en het Grand Canyon.

In New York ontmoette ik de relatie van Jan N. waar de Metamorphose uiteindelijk voor bedoeld was. Jan zal er wel zijn winst op geboekt hebben.

De ontmoeting in New York met Jan’s klant, Justin Sterling en diens vrouw, was gedenkwaardig. Het Sterling Institute of Relationship bestaat, zo blijkt via een Google zoektocht, nog steeds. Niet meer in New York, ze zaten destijds op Broadway, maar wel nog in Oakland, Ca.

Bij mijn aankomst in Berkeley verwachtte ik betaling van Jan N. Die bleef uit en ik ging noodgedwongen met veel te weinig geld op pad door de USA. Pas aan het einde van de reis kreeg ik betaald door Justin Sterling. Sterling onderwierp mij tijdens de ontmoeting aan een kruisverhoor over allerlei persoonlijke zaken. Geen vervelend kruisverhoor; uitdagend eerder. Samen met zijn vrouw – naam vergeten – lunchten we copieus in New York. Een welkom maal na een maand ontberingen.

Tijdens mijn reis kwam ik terecht in een grote boekenwinkel in Tucson, Arizona. Te veel oninteressante boeken. Een soort overdekte rommelmarkt, maar met één kast bijzonderheden, of wat de eigenaren zagen als bijzonderheden.

In die kast vond ik het standaardwerk, in drie delen, van Werner Grote-Hasenbalg over ‘Orientteppiche’ (1922). Ik had die boeken, tamelijk armoedig geproduceerd, niet eerder gezien, maar de Rotterdamse boekhandelaar John Aarden, enkele jaren geleden te jong overleden, vertelde mij er vaak over. Hij had in Duitsland een zakelijke relatie die in Perzische tapijten, prenten en boeken handelde.  John had mij verteld dat hij duizend guldens kon betalen voor de Grote-Hasenbalg set. De $ 75,00 die in Tucson op het prijskaartje stond bood dus een buitenkans (destijds kostte één dollar 3,5 gulden).

Dergelijke witte raafjes waren in het pre-internet tijdperk nog redelijk gemakkelijk te vinden. Kennis over boeken loonde toen meer dan nu. Nu loont een goede internetverbinding en zoekmachine al. De zoektochtromantiek van de handelaar in oude boeken is grotendeels verdwenen.

In de boekenwinkel in Tucson stond de radio aan met daarop het nieuws. Ik hoorde life over de ontploffing van de Spaceshuttle Challenger, 73 seconden na de lancering.

Het was 28 januari 1986 aan het einde van de ochtend. Vandaag precies dertig jaar geleden.

Ik weet nog waar en met wie ik was toen president Kennedy werd vermoord.

Ik weet nog precies waar ik was toen de eerste berichten arriveerden over de massamoord op burgers in de Twin Towers.

Ik weet nog precies waar ik was en wat ik deed toen zeven bemanningsleden, inclusief de onderwijzeres Christa McAuliffe, bij de ramp met de Challenger om het leven kwamen: ik kocht Orientteppiche van Werner Grote-Hasenbalg in Tucson, Arizona.

Bertus G. Antonissen

 

Deutschstunde – een parallel leesavontuur

 

deutschstunde

In de nacht van 18 op 19 februari 1980 waren L. en ik in het Dijkzigt Ziekenhuis – het latere Erasmus Medisch Centrum – in afwachting van de geboorte van M.

Van de geboorte kan ik mij, hoe beschamend, vrijwel niets herinneren. Dat M. ons vierde kind is, biedt onvoldoende excuus voor dit hiaat in mijn geheugen. Ik maakte een foto van L., met een ingespannen gezicht, buik vooruit, zittend op bed. Die foto heb ik niet bij de hand, maar die staat wel overduidelijk in mijn geheugen gegrift.

De sterkste herinnering, over beschamend gesproken, die ik heb, is aan het boek dat ik las, zittend naast het bed van L.: Groepsfoto met dame van Heinrich Böll (Keulen, 21 december 1917 – Kreuzau, 16 juli 1985).

De korte Biblon Recensie over dit boek:

Tegen de achtergrond van ruim dertig jaar Duitsland geeft Boll de levensgeschiedenis van de nu achtenveertigjarige warmbloedige en sympathieke Lenie Pfeiffer, geb. Gruyten. Hij doet dit aan de hand van getuigenverklaringen en gesprekken met Lenie’s vrienden en familieleden. Zelf komt ze niet aan het woord. Met deze levensgeschiedenis levert Boll tegelijkertijd kritiek op de fouten in de maatschappij, zij die anders zijn dan Lenie, de o.w.-ers en keiharde “Wirtschaftswunder”-zakenlui. Dit alles in een zeer persoonlijke stijl geschreven en de menselijkheid waarmee het boek doortrokken is, maken het geheel tot een schitterende prestatie van een groot schrijver.

Mij staat vooral bij dat het boek dankzij imponerend taalgebruik in een razend tempo te lezen is. Je gaat van de ene prachtformulering naar de andere. Hoewel ik het las in vertaling, stond voor mij als een paal boven water dat de pen van Böll in het Duits zeldzaam vaardig was. Dat ‘als een paal boven water vast staan’ is overigens een vermoeden en niet gebaseerd op betrouwbare waarneming, want ik lees geen boeken in het Duits.

Niet het verhaal, maar de wijze waarop het verteld werd, is mij vooral bijgebleven.

Eenzelfde taalervaring had ik toen ik in de jaren tachtig (of zeventig?) van de vorige eeuw op TV Duitse les (Deutschstunde) naar de roman van Siegfried Lenz zag. Het kon niet anders: achter deze verfilming moest een boek ‘Böll-waardig’ schuilen. Ik moest en zou dat boek lezen, maar het kwam er niet van.

Begin deze eeuw, werkzaam in Dresden, vond ik Deutschstunde in een uitgave van de Süddeutsche Zeitung. Nummer 28 in een fraaie reeks ‘große Romane’. In mijn boekengretigheid – daarover later meer – wilde ik al deze bandjes kopen.

Ik koos voor Deutschstunde omdat ik die boeiende verfilming zag. Het kwam er, net zoals bij vele boekenaankopen, niet van in alle rust te zitten en lezen. Het boek kwam op de stapel gewetensnoodboeken.

In 2011 vond ik op een van mijn neurotisch-gretige strooptochten door boekenwinkels Duitse les, vertaald door Jaap Walvis. Ik kon, natuurlijk, niet nalaten die vertaling te kopen en vatte het plan op beide boeken parallel te lezen.

Al jaren mis ik een gedegen kennis van het Duits. Een extra pijnlijk gemis als je struint door de vele prachtige boekenwinkels in Duitsland. Duits lezen, lijkt om de hoek te liggen, totdat je werkelijk een boek ter hand neemt. Dan valt het tegen. Een krant of tijdschrift lezen gaat nog een beetje, maar een boek..

Dat gemis aan vaardigheid in een vreemde taal voelde ik februari 1971, op 22-jarige leeftijd, bij mijn eerste bezoek aan Mexico-Ciudad. De overdonderende muurschilderingen van Diego Rivera in het presidentieel paleis aan het Zocalo lieten, zoals dat heet, ‘een onvergetelijke indruk’ achter, maar ook de bezoeken aan boekwinkels. Duizenden boeken, miljoenen woorden, het geesteswerk van duizenden auteurs, en ik kon niets met mijn onlesbare dorst naar lezen, lezen, lezen. Boeken in een taal die je niet lezen kan, hebben een mystieke aantrekkingskracht.

Terug naar Siegfried Lenz: Deutschstunde en Duitse les, sieren als tweeling al meerdere jaren mijn boekenkast, eerst aan de Rechter Rottekade in Rotterdam, en nu ook weer in de Mr.Higgingskast in M.’s en mijn nieuwe appartement in Den Haag.

Beschuldigend staarden ze mij jarenlang aan. Beschuldigend omdat ik mijn lust tot uitvoering van het parallelle leesplan iedere keer weer liet verstoren door nieuwe leesaandachtsgebieden. Het laatste boek, krijgt de eerste aandacht. De onrechtvaardigheid van een boekenstofzuiger zoals ik.

Eindelijk is het zo ver. Verzadigd van non-fictie over Napoleon, Stalin, Mao of de dagboeken van Albert Speer, is het verlangen naar prachtliteratuur te sterk om nog langer voor Siegfried Lenz weg te lopen en is het goede moment daar aan te slag te gaan met de geschiedenis van Siggi Jepsen en zijn worsteling met een opstelopdracht over ‘de vreugden van de plicht’ (Die Freuden der Pflicht).

‘Strafwerk hebben ze mij gegeven’ (Sie haben mir eine Strafarbeit gegeben). Bij deze eerste zin van het boek zou ik al in de fout zijn gegaan en hem vertaald hebben als: U heeft mij strafwerk gegeven.

Een vergeeflijke fout, maar dan komt het:

Joswig selbst hat mich in mein festes Zimmer gebracht, hat die Gitter vor dem Fenster beklopft, den Strohsack massiert, hat sodann, unser Lieblingswärter, meinen metallenen Schrank durchforscht und mein altes Versteck hinter dem Spiegel. Schweigend, schweigend und gekränkt hat er weiterhin den Tisch inspiziert und den mit Kerben bedeckten Hocker, hat dem Ausguß sein Interesse gewidmet, hat sogar, mit forderndem Knöchel, dem Fensterbrett ein paar pochende Fragen gestellt, den Ofen auf Neutralität untersucht, und danach ist er zu mir gekommen, um mich gemächlich abzutasten von der Schulter bis zum Knie und sich beweisen zu lassen, daß ich nichts Schädliches in meinen Taschen trug.

Ik kan en wil nog lang door gaan. De muziek die deze taal maakt is in mijn geest zelfs hoorbaar bij het monnikenwerk van overtypen. Je gaat vrezen voor de Nederlandse vertaling:

Joswig heeft mij persoonlijk naar mijn eigen kamer gebracht, op de tralies voor het raam geklopt, de strozak opgeschud en vervolgens heeft onze lievelingsoppasser mijn ijzeren kast doorzocht en mijn oude bergplaats achter de spiegel. Zonder ook maar één woord te zeggen, zwijgend beledigd heeft hij verder nog de tafel geïnspecteerd en de bekraste kruk, heeft zijn ogen over de wastafel laten gaan, ja zelfs met aanmatigende knokkels de vensterbank door klopsignalen enkele vragen gesteld, de neutraliteit van de kachel op de proef gesteld en is toen op mij afgekomen om mij op zijn gemak van top tot teen te fouilleren en zich ervan te vergewissen dat ik niets gevaarlijks op zak had.

Het effect van vlot en vaardig taalgebruik, een mengeling van realistisch schrijven en lichte humor, houdt in deze eerste zinnen gelukkig ook in vertaling stand.

Er wacht mij een mooie leestijd!

Bertus G. Antonissen

Gesundes Volksempfinden en alcomobilist Gerrit G. uit Lutten

Gerrit G uit Lutten

Toen Gerrit G. uit Lutten (beroepschauffeur) maart 2015 met zijn dronken kop een baby doodreed en de vader zwaar verwondde, liet hij na zijn arrestatie weten niet vrij gelaten te willen worden ‘uit respect’ voor de nabestaanden. Een werkelijk hartverwarmende opstelling van de veelplegende alcomobilist.

Je zou bijna sympathie voor hem krijgen, ware het niet dat hij al acht veroordelingen wegens rijden onder invloed achter de rug had en nog in de proeftijd van een veroordeling zat.

Gerrit was stomdronken toen hij de kroeg in zijn dorp, nota bene op wandelafstand van zijn huis, verliet. Ik begrijp Gerrit wel: auto rijden is blijkbaar veiliger dan wandelen in Lutten, want vader en kind wandelden daar langs de weg toen ze geschept werden door de Mercedes van Gerrit.

Er is  nu alom verontwaardiging over de straf van 4 jaar cel en tien jaar rijontzegging die Gerrit bij de rechtbank in Zwolle en in hoger beroep bij het hof in Leeuwarden kreeg.

Waar komt dat ‘gesundes Volksempfinden’ vandaan? Is het werkelijk alleen de laagte van de straf?

Mijn verontwaardiging geldt Gerrits keuze in hoger beroep te gaan. De advocaat ging in hoger beroep omdat hij vond dat de reconstructie van het ongeval, hier plaats ik graag het adjectief ‘moedwillige’ bij, niet volgens de regels verliep.

Waar blijft de empathie van het lokale drankorgel met zijn slachtoffers? Na zijn arrestatie wilde hij ingesloten blijven uit respect voor hen, maar toen de rechtbank hem strafte ging hij in beroep. Weg was Gerrits medeleven toen hij vol zelfmedelijden de straf vernam.

Wat is het bezwaar tegen de straf voor deze kwal? Mijn bezwaar is, dat in acht voorgaande keren is gebleken dat de opgelegde straffen niet leidden tot het beoogde effect: gedragsverandering van Gerrit. Hij gaat doodleuk door met de combinatie comazuipen en autorijden. Wederom zinloos straffen – Gerrit Rivella zit thuis in afwachting van zijn detentie – is slechts een uitzichtloze herhaling van zetten.

Wat moet er dan gebeuren? Het strafrecht heeft nauwelijks middelen recidive van rijden onder invloed te voorkomen. Maar herhaling van doodslagen zoals die op de baby en zware mishandeling van de vader, willen we natuurlijk niet meer meemaken.

De enige juridische mogelijkheid die rest, is de maximale straf bij doodslag, opzet is aan te tonen op basis van de voorgeschiedenis, plus TBS. Daarbij zag ik graag dat de kroegbazin die Gerrit de kans gaf zich vol te gieten met Rivella-jenever, wat een combinatie, gedwongen werd haar tent te sluiten wegens medeplichtigheid. Waarom niet meteen 112 gebeld toen Gerrit aanstalten maakte met dronken kop in zijn wonder van Duitse techniek te stappen?

Meneer is alcoholist en dus ziek. Een rare ziekte waar anderen dood aan gaan. Alleen een epidemische bestrijding van deze ziekte zal werken. Dus, via de maximale straf plus TBS voor vele jaren in quarantaine met die man.

Naast de juridische weg, is er nog een andere mogelijkheid: ik loof tien kratten Rivella, zonder jenever, uit voor degene(n) die bij Gerrit thuis een ontnuchterende babbel met de drinkebroer gaat maken.

Ik blijft met een vraag zitten: welke straf zou Gerrit zelf opleggen aan de dronken lor die zijn pas geboren kleinzoon dood reed?

Mr. Kees Spoo, verkeersjournalist

Presentatie Anti Godsdienst Partij Nederland (AGPN) in Nieuwspoort

Van Eyck

Volgende week, vrijdag 5 februari 2016, wordt in perscentrum Nieuwspoort, Den Haag, een nieuwe loot aan de al overvolle Nederlandse partijenboom toegevoegd: de Anti Godsdienst Partij Nederland (AGPN).

De partij is voortgekomen uit drie maatschappelijke organisaties die zich al jaren inzetten voor verdere secularisatie van onze maatschappij, zoals de Vereniging voor Bedrijvige Zondag (VBZ) uit Ermelo. Deze vereniging verzet zich tegen de ‘dictatoriale invloed’ van conservatief gereformeerde lobbies, ruim vertegenwoordigd in de lokale politiek en bestuur, die iedere zondagse economische activiteit binnen de gemeente met hand en tand bestrijden.

Abigail Broekema van de VBZ is door haar voorzitterschap binnen Ermelo een outcast geworden. “Ik ben tegenwoordig verbaasd wanneer mijn auto niet bekrast is, of mijn banden niet doorgestoken zijn door opgehitste bijbeljeugd”.

Vooral haar uitspraak in een landelijk dagblad dat het verbod op economische activiteit op zondag ‘blijkbaar niet geldt voor de geldschrapende kerken’ in haar gemeente, heeft veel kwaad bloed gezet.

Saphira de Groot, Bond voor wijziging van de Grondwet (BWG), heeft in Capelle aan de IJssel ervaringen die veel lijken op die van Abigail. Haar werd op een zondag zomer 2015 door het onverdraagzame kerkvolk, ‘Knielen op een bed violen had hier geschreven kunnen worden’, aan de Lijstersingel het fietsen onmogelijk gemaakt. De zwarte pakken en kousen, met hun puisterige, bijbeldragende pubers, hielden, terwijl ze nota bene onderweg naar de kerk waren, Saphira samen met drie vriendinnen tegen toen ze haar wekelijkse fietstocht naar Moordrecht en Gouda wilde maken. ‘De houding van deze onverdraagzame geloofsmonomanen is agressief intolerant. Hier moet echt een eind aan komen’.

Melchior Hondecoeter, oprichter en voorzitter van Zonder God en Godsgebod (ZGG), nam met de VBZ en de BWG december 2015 contact op om de al jaren levende onvrede over de invloed van oude en nieuw-geïmporteerde godsdiensten, zoals de islam ‘met alle bizarre afsplitsingen’, om te zetten in politieke daadkracht.

De ZGG, VBZ en de BWG zijn organisaties met een beperkt aantal leden, respectievelijk 165, 615 en 144. Hondecoeter: ‘We zijn er van overtuigd dat we, met een beetje publiciteit, gemakkelijk de voor subsidie benodigde 1.000 leden halen. Het is vreemd dat in een maatschappij waar nog geen 15% van de bevolking praktiserend gelovig is, iedereen rekening moet houden met de meest fantasievolle, door mensen bedachte geloofsregels. Wij eisen als niet-gelovigen respect. Al die lui die zo nodig een fictie willen volgen, doen dat maar lekker achter hun gesloten huisdeur, maar laat mij met rust..

Iedere vrijdagmiddag ergert hij zich weer aan de luidsprekers met ‘afgeknepen castratenzang’ en aan dat klokgelui op zondagmorgen. ‘Ik heb een zeer zware baan, en word steeds weer hels (sic) wanneer mijn enige uitslaapochtend verziekt wordt door die klokken’.

De ZGG, VBZ en de BWG willen gezamenlijk verder gaan als Anti Godsdienst Partij Nederland en deelnemen aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer van 2017.

Op verzoek van de AGPN verrichtte IPSOS representatieve opiniepeilingen. Het blijkt haalbaar dat de AGPN de Tweede Kamer binnenkomt met 6 zetels.

‘Een score om van te dromen’, aldus Saphira de Groot. ‘Je zou allah er bijna voor op je knieën danken’, grinnikt de duidelijk zenuwachtige Abigail Broekema.

Opvallend is dat die te verwachten zetels niet alleen gaan ten koste van niet-confessionele partijen, maar ook van het CDA, de SGP en zelfs de GPV.

Volgens IPSOS is er blijkbaar veel verborgen onvrede binnen de Christelijke partijen; zelfs binnen de Christelijke partijen helemaal rechts van het politieke spectrum.

‘Voer voor psychologen en sociologen’ (Hondecoeter).

Speerpunten voor de nieuwe partij zijn:

  1. Verwijdering van artikel zes (vrijheid van godsdienst) uit de grondwet (De Groot: ‘Een 19de eeuws artikel waarvoor in de 21ste eeuw de maatschappelijke draagkracht nihil is. Dat artikel werd opgesteld toen heel Nederland nog praktiserend lid was van een van de vele, versnipperde christelijke stromingen’);
  2. Stopzetten van alle subsidies voor scholen en universiteiten op confessionele grondslag;
  3. Verbod op dragen van geloofskenmerken zoals keppeltjes, kruisjes, sjaaltjes, boerka’s, kazuifels en allerlei andere middeleeuwse ‘carnavalspoespas’ in de publieke ruimte;
  4. Verbod op oproepen tot gebed of luidruchtige convocaties voor bezoek aan kerk, synagoge, moskee, of welke andere soort gebedshuis dan ook;
  5. Verbod op nieuwbouw van gebedshuizen;
  6. Stopzetten van subsidies voor alle kerkgenootschappen;
  7. Stopzetten financiering theologische faculteiten omdat deze ondergebracht kunnen worden bij de ‘normale’ geschiedenisfaculteiten;
  8. Afschaffen Christelijke feestdagen zoals Kerst, Pasen, Pinksteren en Hemelvaarstdag;
  9. Geen extra vrije dagen voor niet-Europese godsdiensten zoals de islam en het hindoeïsme.

Hondecoeter: ‘Momenteel wordt hard gewerkt aan het verkiezingsprogramma voor 2017. In Nieuwspoort zal ons beginselprogramma Op naar een volledig seculiere samenleving, gepresenteerd worden’.

Hondecoeter, Broekema en De Groot benadrukken dat ze absoluut niet uit zijn op een verbod van godsdiensten. ‘Laat iedereen in zijn privédomein maar zoveel geloven als men wil. Het is echter van de gekken dat 85% van de bevolking verdraagzaamheid moet tonen jegens godsdiensten, in het publieke domein ongevraagd geconfronteerd wordt met uitingen van godsdienst en zelfs die godsdiensten moet subsidiëren. Dat gaat ons te ver’.

De AGPN is van mening dat de vrijheid om je godsdienst te beleven volledig gegarandeerd is via artikel 7 van de grondwet over vrijheid van meningsuiting en censuurverbod.

Nadere informatie: www.agpn.nl

Mr. Simon Aarnout Tire

 

Nobelprijs voor onderzoekers die vermogen tot troosten bij de prairiewoelmuis ontdekten

prairiewoelmuizen

In de jaren zestig van de vorige eeuw werd in het spoor van de ‘democratisering’ alom fanatiek gediscussieerd of wetenschap geëngageerd moest zijn of juist ‘waardevrij’.

Moet er maatschappelijk engagement zijn bij de wetenschapsbeoefening, of moet wetenschap juist los van enig engagement wetenschap-om-de-wetenschap zijn?

Een moeilijke vraag die tot brede meningsverschillen leidde en onder andere tot het onmogelijk maken van een onderzoek door professor Buikhuizen naar genetische factoren bij crimineel gedrag. Heel links Nederland, aangevuurd door Vrij (die naam stemt tot nadenken) Nederland verfoeide de moderne Lombroso.

Een methodologische vraag die volgens mij niet eenduidig te beantwoorden is.

Zoals met veel kwesties, zal iedere situatie op eigen merites beoordeeld moeten worden. Wetenschapsbeoefening zal, een bescheiden mening, altijd binnen ethische kaders moeten plaatsvinden, hoe veranderlijk en subjectief ethiek ook kan zijn, maar goed…alles is immers betrekkelijk, ook wat ik hier uit mijn toetsenbord tover.

In de NRC van 22 januari werd verslag gedaan van een onderzoek aan de Emory University (Atlanta, VS) met als uitkomst dat prairiewoelmuizen elkaar kunnen troosten. Een zucht van opluchting ging door huize Krates. Eindelijk de prangende, zelfs existentiële vraag beantwoord waar wij al jaren mee worstelden. We zijn beide onderzoekers Larry Young en James Burkett intens dankbaar dat ze dit raadsel voor ons opgelost hebben. Vanaf nu kijken we compleet anders naar de geliefde prairiewoelmuis. Het gaat niet alleen om Young en Burkett, maar gloeiend van trots blijkt dat de Nederlandse primatoloog Frans de Waal ook een belangrijke bijdrage leverde aan dit boeiende onderzoek. Het is terecht dat de NRC, geheel waardevrij, via de vaardige pen van Hester van Santen ons kond heeft gedaan over de bevindingen van deze Nobelprijswaardige onderzoekers.

Hoe ontdekten ze dat de prairiewoelmuis in staat is soortgenoten te troosten? Simpel: je haalt een van de muizen uit een kooi met muizen, zet hem apart, dient hem stroomstoten toe en confronteert hem met harde geluiden totdat het beestje stinkt van de stress. Daarna zet je hem terug in de kooi met soortgenoten en wat gebeurt? Zijn makkers gaan hem likken, vlooien en troosten totdat alle stress verdwenen is. Zoiets kan je alleen maar waardevrij ontdekken, want anders zouden twijfels kunnen ontstaan over de ethiek van het onderzoek. Die twijfels kunnen we ons niet veroorloven, daartoe is het belang van dit wereldveranderende onderzoek te groot. Alles heeft zijn prijs. Het getreiterde beestje, ach wat is het belang van een prairiewoelmuisje, heeft een memorabele bijdrage geleverd aan verdiept inzicht in onze wereld.

Ik kijk met spannende belangstelling uit naar het verslag door Hester van Santen van een onderzoek waarvoor de subsidie-aanvraag inmiddels is ingediend:

Larry Young, James Burkett en Frans de Waal worden in het komende Glazen Huis ingesloten en ik, geheel op vrijwillige basis, zal een van de drie apart zetten in een nauwe ruimte met 130Db David Bowie muziek. De bezoekers van het Glazen Huis mogen, na een donatie voor het goede doel, de uitverkorene gedurende een etmaal stroomstoten toedienen. Na 24 uur zal de gestreste wetenschapper op een brancard teruggeplaatst worden bij zijn collega’s (soortgenoten) opdat het toegestroomde publiek kan observeren hoe hij gelikt, gevlooid en getroost wordt.

De opbrengst van deze unieke actie gaat integraal naar de partij voor de dieren.

Stephan Olmert Krates

 

 

Amsterdam huilt

Schermafbeelding 2016-01-22 om 09.28.01

Gisteren werd bekend dat de Amsterdamse zangeres Rika Jansen (91) in Zandvoort is overleden. Ik (1948) groeide met Amsterdam Huilt op en hoorde vanaf mijn jeugd met regelmaat, meerdere keren per jaar, dit schrijnende liedje. Mijn luisterfrequentie nam toe met de komst van internet en vooral van YouTube.

Thuis werd nooit over de WW.II gesproken met uitzondering van de programma’s van Lou de Jong die we, er was toen nog maar 1 televisienet, in een halve kring voor de TV zittend met ons hele gezin bekeken. Als ik mij goed herinner vond mijn vader die De Jong een betweter. De mannen en vrouwen, volgens mij voornamelijk mannen, uit het verzet die aan het woord kwamen waren allemaal opscheppers en jokkebrokken.

Hoe mijn vader, voor de oorlog al bij de Haagse politie, de oorlog door kwam bleef voor ons terra incognita. Een heel klein tipje van de sluier werd opgelicht door mijn moeder: zij bracht eten naar haar ondergedoken echtgenoot in de kelders van het scholencomplex aan de Zonnebloemstraat. Later zou ik daar school gaan. Cremers sr. moest op een gegeven moment van de mede-onderduikers vertrekken omdat hij overspannen raakte en een gevaar werd voor de anderen. Wat er aan vooraf ging, en wat later volgde: geen idee. Soms, heel soms, hoorden iets over de hongerwinter 1944 en dat wij, de naoorlogse generatie, geen echte honger hebben gekend. Je mocht als kind nooit zeggen dat je honger had. We hadden ‘trek’, geen honger, want honger kenden we niet. “In de oorlog, toen hadden we honger”. Aan die hongerwinter hielden we ook de mores over dat je met eten niet knoeit en het niet weggooit.

Informatie over de oorlog kregen we van Lou de Jong; de emotie van de oorlog kregen we via Rika Jansen, ik heb nooit geweten dat ze Zwarte Riek werd genoemd, en haar ‘Amsterdam huilt’.

Amsterdam huilt werd in 1964 geschreven door Rika’s partner Kees Manders. Rika werd geboren aan de Brouwersgracht en maakte de armoe tijdens de crisis van de jaren 1930 mee en zag met eigen ogen het wangedrag van de Duitse bezetters in haar wijk. Iedere keer wanneer ik haar liedje hoor, voel ik woede over het Herrenvolk in de jaren 1940-1945.

In DWDD was de dag waarop haar overlijden bekend werd te horen wat een zware maand januari 2016 is: David Bowie en Glenn Frey (Eagles) overleden. NIETS over Rika Jansen. Later op de avond komt Matthijs van Nieuwkerk bij Eva Jinek als een geile bakvis verslag doen over het mogelijk laatste concert van Charles Aznavour, en wederom horen we hoe erg het is dat Bowie en Frey deze maand de pijp aan Maarten gaven. Weer NIETS over Rika Jansen. Elitair verzwegen. Jammer.

Het overlijden van Bowie noch van Frey was voor mij, wat een cliché, de ‘afsluiting van een tijdperk’. Het overlijden van Rika Jansen ook niet, maar wel een moment van droevige mijmeringen over mijn eigen jeugd.

Ik schreef mijn kinderen dat Rika Jansen overleed en stuurde hen de Amsterdam huilt YouTube link.

Th., de oudste reageerde via de mail met een Joods mopje:

“Pappa, wat is misjpoge; kan je dat eten?”

“Nee jongen, dat kan je niet eten, maar je kan er wel heel misselijk van worden”.

Mazzel en broche Rika.

Bertus G. Antonissen

ROVER en LSVB slaan de handen ineen

ROVER

 

De Landelijke Studenten Vakbond krijgt steun uit onverwachte hoek. De vereniging Reizigers Openbaar Vervoer (ROVER) schaart zich achter de eisen van de studenten over inspraak en zelfbeschikkingsrecht. Ook ROVER vindt het wetsvoorstel van minister Bussemaker absoluut onvoldoende en geen recht doen aan de verlangens van de studenten.

Arriën Kruyt, voorzitter ROVER, herkent zichzelf en het streven van zijn vereniging in de ‘gerechtvaardigde eisen’ van de studenten. Sterker nog: “Die voorstellen sluiten naadloos aan op de wensen van ROVER. ROVER deelt de frustratie van de LSVB over het autoritaire, top-down beleid door de bestuurders van de Universiteiten. Wij, als reizigers in het openbaar vervoer zitten in hetzelfde schuitje. Er wordt over ons beslist, zonder dat we enige inspraak hebben, en zonder dat geluisterd wordt naar de wensen van de reiziger”.

Stefan Wirken van de LSVB is ‘verrast en verheugd’ over de steun door ROVER: “Het is duidelijk dat ROVER honderdduizenden reizigers, onder wie veel studenten, vertegenwoordigt. Een welkome en machtige lobby”.

Er zullen in de Tweede Kamer harde noten gekraakt worden over het wetsvoorstel van Bussemaker. Verwacht wordt dat coalitiegenoten PvdA en VVD zullen botsen. Een kabinetscrisis lijkt niet uitgesloten.

PvdA-Kamerlid Mohandis wil dat de minister zeker twintig aanpassingen doet. “Het wetsvoorstel van Bussemaker is een stap in de goede richting, maar ik wil daar een schep bovenop”, zegt hij.

Zo wil Mohandis dat studenten en personeel nieuwe bestuurders kunnen kiezen, hun vetorecht wordt uitgebreid, ze toegang krijgen tot alle informatie en dat er een student in het College van Bestuur komt. “De medezeggenschapsraad moet niet alleen kunnen blaffen, maar ook kunnen bijten.”

“De tijd van vrijblijvende adviezen is wat ons betreft voorbij. Studenten mogen echt wel wat vaker meebesturen, dat verbetert de kwaliteit van het onderwijs”, zegt Linde de Nie, voorzitter van het Interstedelijk Studenten Overleg.

Coalitiegenoot VVD moet daarentegen niets hebben van de plannen van de PvdA. “Ze gaan mee in de teneur van een handjevol Maagdenhuis-bezetters, vandaar al die voorstellen. Dit is terug naar de jaren 60 van de vorige eeuw”, zegt VVD-Kamerlid Duisenberg.

Volgens de VVD’er mag het niet zo zijn dat het vandalisme in het Maagdenhuis van vorig jaar nu beloond gaat worden. “Dat is de wereld op zijn kop”.

Wirken en Kruyt menen, in koor, dat die ellende in het maagdenhuis niet door de studenten, maar door het autoritaire bestuur is veroorzaakt.

Wirken: “Wij delen de eis van de studenten dat de voorzitter van het bestuur benoemd moet worden door de studenten, dat de studenten deel uit gaan maken van het bestuur en dat de studenten naast medezeggenschap zelfs vetorecht krijgen als het gaat over de vereiste lesstof.”

Arriën Kruyt beschrijft een parallel tussen de universiteiten en de hele gang van zaken bij de Nederlandse Spoorwegen en alle andere maatschappijen voor openbaar vervoer. “Het is werkelijk van de zotten dat zo’n benoeming als van Roger van Boxtel (door Kruyt informeel een ‘volledige nitwit’ genoemd) een politieke benoeming is waar de reizigers geen enkele invloed op hebben. Dit is vragen om problemen.”

Kruyt ziet een toekomst, liefst zeer nabij, waar de reizigers, via ROVER, de directies van openbaar vervoer maatschappijen benoemen, zeggenschap hebben over de honorering van de directie en bestuurders, en beslissingsrecht krijgen over reisschema’s, de aanschaf van materieel en openbaar vervoer huisregels. “ROVER zal in de toekomst niet alleen doorslaggevende invloed hebben bij de benoemingen van directies, maar bij falend beleid ook over het ontslag”.

Volgens Stefan Wirken is er contact tussen de LSVB, ROVER en de VPPZ (Vereniging Patiënten Psychiatrische Ziekenhuizen). Deze vereniging zou via de voorzitter Schlomo hebben laten weten dat er reeds vergaande voorstellen zijn in de toekomst behandelingsplannen te laten opstellen door de VPPZ en benoemingen van behandelaars en directies op overeenkomstige wijze als de wensen van de LSVB en ROVER te realiseren.

Schlomo, momenteel intern behandeld bij Parnassia in Monster, was vandaag niet voor nadere toelichting bereikbaar.

Vanavond zal politiek commentator Sywert van Lienden in De Wereld Draait Door aan de hand van statistische gegevens uit wetenschappelijke onderzoeken de situatie aan Nederlandse universiteiten en bij het Nederlandse openbaar vervoer in perspectief met de ons omringende landen plaatsen.

Mr. Simon Aarnout Tire