BEZUINIGINGSVOORSTEL: OPHEFFEN ERFGOEDINSPECTIE

Meerdere keren schreef ik op museumbeveiliging.com en toncremers.nl columns over de schandalige rol van de Erfgoedinspectie en met name de rol van een inerte inspecteur die de verkeerde keuze maakte: niet een melding van mij naar eer en geweten afhandelen, maar aangifte tegen mij omdat ik naar buiten trad met haar inertie.

Vandaag lees ik in de NRC een artikel Kapot gemaakt door de overheid, waarin een schandalige rol van de Erfgoedinspectie beschreven wordt en waarin vermeld wordt dat deze inspectie schadevergoeding zal moeten betalen aan een bedrijf dat moedwillig door de Erfgoedinspectie kapot gemaakt werd. Onder moedwillig, hoort een vette streep, want moedwil (kwaadwil) ervoer ik ook destijds bij de kansloze aangifte tegen mij. Dat was een moedwillige poging van de Erfgoedinspectie, en met name van de inspecteur Marja van Heese mij de mond te snoeren.

Zo zijn blijkbaar de manieren van de Erfgoedinspectie: een serieuze melding over een misstand in de museumwereld weigeren ze af te handelen, totdat publiekelijk aan de bel getrokken wordt en dan uiteindelijk pas na twee jaar als het te laat is.

Mijn klokluiden leidde tot maar 1 daadkrachtige reactie door de Erfgoedinspectie: aangifte tegen mij wegens smaad en laster. Blijkbaar waren de juristen op het ministerie met vakantie toen die aangifte gedaan werd en namen de Erfgoedinspectie en inspecteur Marja van Heese niet de moeite even op te zoeken wat deze juridische begrippen betekenen.

Nu staat dus in de NRC te lezen hoe diezelfde Erfgoedinspectie willens en wetens een archeologisch bedrijf de grond in trachtte te boren. Ik weet wel waarom: de bij de automaat koffieslurpende. inactieve inspecteurs exploderen van jaloezie over de ondernemingszin van particuliere partijen.

Er blijft die Erfgoedinspectie blijkbaar slechts 1 keuze: de mond snoeren en kapot maken die particuliere partijen.

Aangifte tegen mij, gif spuwen over Aart Vermeulen, archeoloog en mededirecteur van het opgraafbedrijf ArcheoMedia, en – een stommiteit door ex-erfgoedinspecteur, Hanna Pennock – hele teksten wegcensureren van een LinkedIn groep die deze ambitieuze erfgoedouderlinge vanuit haar functie als rijksambtenaar opzette.

Ja, ik weet: Hanna Pennock was toen geen erfgoedinspecteur meer, maar blijkbaar krijg je het meisje wel uit de Erfgoedinspectie, maar de Erfgoedinspectie niet uit het meisje.

De Erfgoedinspectie is een collectie navelstaarders die wel de tijd had gezamenlijk, op kosten van de belastingbetaler, een hagiografisch boek te schrijven over hun vertrekkende baas, Charlotte van Rapperd-Boon, maar geen tijd om te doen waar ze voor zijn ingehuurd..

De teambuildinguitstapjes, ook op kosten van de belastingbetaler, onder andere naar de Efteling – nee ik maak geen grapjes over sprookjes – hebben zonder enige twijfel geleid tot een hecht team. Tot een hermetisch team van hoogbetaalde verspillers van belastinggeld, want de overheid (= de belastingbetaler) amateuristisch opzadelen met schadeclaims is verspilling; niets anders.

Mag in deze tijd van bezuinigingen alstublieft deze anomalie Erfgoedinspectie geheten opgeheven worden!

Zie hieronder enkele citaten uit het artikel in de NRC. Het hele artikel is te lezen op: nrc.nlhttp://www.nrc.nl/next/2015/10/23/kapotgemaakt-door-de-overheid-1549221

Bertus G. Antonissen

Kapotgemaakt door de overheid

Merijn Rengers

„Het had zo mooi kunnen zijn”, zegt Aart Vermeulen, archeoloog en mededirecteur van het opgraafbedrijf ArcheoMedia. Elf jaar geleden groeven Vermeulen en zijn 32 personeelsleden bij bouwplaatsen en afgravingen door heel Nederland naar bodemschatten, maar na jaren van juridische strijd is er weinig meer over van zijn bedrijf. (….) Het bedrijf ArcheoMedia heeft eind september in hoger beroep een slepende rechtszaak gewonnen van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Het Haagse gerechtshof oordeelde dat de erfgoedinspectie, die waakt over een deel van de Nederlandse bodem- en kunstschatten, zich ontoelaatbaar en ongefundeerd negatief had uitgelaten over ArcheoMedia – waardoor het bedrijf steeds minder overheidsopdrachten kreeg. De staat moet het inmiddels zieltogende bedrijf een nog te bepalen schadevergoeding betalen. (………………..)

In 2009 heeft een gerenommeerd accountantskantoor vastgesteld dat de geleden schade 1,7 miljoen euro bedraagt.” (….) De Erfgoedinspectie laat in een reactie weten het vonnis nog te bestuderen en wil verder niet reageren. Bij een eerdere inhoudelijke behandeling van de zaak, begin 2014 in de Haagse rechtbank, zei hoofdinspecteur Hans Magdelijns dat hij ermee in zijn maag zat. „Deze zaak sleept al sinds 2007 en er moet een streep onder”, aldus Magdelijns. (……)

Lees het hele artikel op: nrc.nlhttp://www.nrc.nl/next/2015/10/23/kapotgemaakt-door-de-overheid-1549221

 

flarden vroegste herinneringen

leerkrachten Gerardus Majellaschool
Modestus i het midden; Van Wijk links voor; Norbertus achteraan links; Bernard achteraan rechts.

Mijn oudste herinnering. Ik was 1 jaar en 4 maanden, maar weet het nog precies. Mijn broer Ger, anderhalf jaar ouder  – Cremers senior haalde na de oorlog zijn achterstand als dekhengst voortvarend in, in vijf jaar werden vier kinderen geboren – en ik moesten wachten in onze slaapkamer, deur gesloten. Van dat wachten herinner ik mij niets. Het moet lang geduurd hebben. Wel herinner ik me het moment dat mijn vader de deur opende en ons meenam naar de slaapkamer van mijn ouders. Daar werd ik opgetild om te kijken in de wieg naar Els, later veranderde ze haar naam in Ellen, onze nieuwe zus. Ik herinner me niets van emotie of spanning; dat ik me dit moment nog herinner, komt misschien wel door de spanning die ik toen gevoeld heb. Dat gevoel is niet vastgelegd in mijn geheugen. Het feit wel. We woonden in de Wolfhezestraat 19, 2-hoog.

Met mijn moeder (Gijsje) in bad. “Dat zijn mamma’s borstjes”, hoor ik mijn vader zeggen. Kan me mijn vraag niet herinneren.  Hoe oud ben je als kind wanneer je vragen gaat stellen over het lichaam.. “Gijs, hij is nu te oud om nog samen met zijn moeder in bad te gaan”.

Het zal 1952, kleuterschoolleeftijd, geweest zijn toen we ‘s avonds in de Theresiakerk aan de Apeldoornselaan in het kistje keken van een klasgenootje dat door het ijs zakte in het Zuiderpark en verdronk. Ik zie een fris, blozend jongetje voor mij met krasjes in zijn gezicht. Vond ik het eng? Ook dit is een heldere herinnering, fotografisch precies in mijn geheugen vastgelegd. Het moet veel indruk gemaakt hebben, anders zou de herinnering er niet zo duidelijk en gedetailleerd zijn. Zie ons nog de kerk uit lopen.

Zonsondergang in Scheveningen: ik in het zitje voor op mijn vaders fiets; Ger achterop. Aan het einde van het Verversingskanaal – toen nog een open Haags riool dat loosde op de Scheveningse zee – ten zuiden van de havenhoofden keken we naar de in zee ondergaande zon. Pas ruim vijftien jaar later, in de late jaren zestig, werden de havenhoofden met grote betonblokken verlengd opdat de schepen bij zuidwester storm gemakkelijker de haven in konden. Ik zag dag in dag uit de vrachtwagens met 1 groot betonblok erop af en aan rijden naar de stortplaatsen.

Februari 1953. Ik was ruim vierenhalf. ‘s Nachts op het toilet hoorde ik de luchtafvoer klapperen. De volgende dag bij mijn vader achterop de fiets naar de boulevard in Scheveningen. De stormvloed stuwde het zeewater tot aan de rand van de boulevard. Iedere keer wanneer ik daar ben, ook nu na meer dan zestig jaar, kijk ik vanaf de boulevard de diepte in naar het strand en moet denken aan het water dat over de rand klotste. Kijkend uit het raam op de tweede verdieping in de Wolfhezestraat zie ik mijn vader met een bakfiets vol matrassen door de straat rijden.

In datzelfde jaar, hoogstens een jaar eerder of later, moet het zijn geweest dat ik van de granieten buitentrap donderde. Buurman De Graaf, jaren later zou hij mij rijles geven, kwam als eerste geschrokken op mijn gillen af. Bloedende hoofdwond.

Ook in die tijd, allemaal voor mijn achtste jaar toen we verhuisden, een verjaardagsfeestje in de Lunterenstraat. Er was poppenkast op de buitentrap. Ik: vreselijke oorpijn. Later bij het vriendje binnen werd dat steeds erger. Ik zei niets. Kinderen klagen niet snel over pijn. Oorontsteking.

We speelden met een klein groepje op staat. Een putdeksel van het riool lag open. Ik viel er met 1 been in. Was bang voor straf omdat mijn schoen en sok vies waren. Nog jaren later moest ik er met angst aan denken dat ik helemaal in het riool had kunnen verdwijen.

Nog zo’n eng moment. We waren verhuisd naar de Copernicusstraat. We wandelden met een groepje kinderen langs de Scheveningse haven. Ik was nog klein. Els dus nog kleiner. Ze zat achter op de fiets bij een vriendje van Jopie (vier jaar ouder dan ik). Jopie had een vriendje uit de Columbusstraat. Het vriendje zigzagde stoer langs de waterkant totdat hij terecht kwam op de houten rand tussen bestrating en water. Hoe breed is zo’n rand? Twintig centimeter? De haven lag vol met loggers. Toen nog wel. Gelukkig wist het vriendje de fiets van de houten rand te wippen, terug op de bestrating. Een nachtmerrie die vaak, na vele jaren nog in mijn herinnering terugkeerde. Ik zie dan Els met fiets en al in het water terechtkomen, reddeloos tussen kade en loggers.

Mijn vader schnabbelde naast zijn werk als politieman bij als kleermaker; zijn oorspronkelijke beroep. Wij speelden vaak met het trapmechanisme van zijn Singer naaimachine. Hij keerde in opdracht van een kleermaker broeken en colberts. De naden tornde hij los met een scheermesje en kauwde langzaam maar zeker op een steeds grotere bal draden. Ik was verslingerd aan het jackje dat ik dag in dag uit droeg. Huilde in protest toen mijn ouders vonden dat het een versleten vod was en mij tooiden in een nieuw jasje. Spelend op straat vond ik een scheermesje en tornde niet alleen de naden los, maar sneed het jasje aan flarden. Een bejaard echtpaar uit de buurt sprak me aan: “Tonnie, dat mag je toch niet doen!” “Dat kan mijn vader weer maken”, moet ik geantwoord hebben. Kan me het feit nog herinneren. Niet wat ik gezegd heb. Daar ben ik verjaardag na verjaardag aan herinnerd omdat het een vaste anekdote werd wanneer ooms en tantes in een kring rond koffie en koek (sigaretten in glaasjes op tafel) bijeen waren.

Om de hoek van de Wolfhezestraat, in de Lunterenstraat hadden ze een hazewindhond. Die haalde ik regelmatig op om met hem te gaan wandelen. Ik sjouwde de hele buurt door met die hond. Weet zijn naam niet meer. Voel nog de trots waarmee ik met die grote hond liep over de Voorthuizenstraat, Apeldoornselaan, loosduinseweg. Ik zag en hoorde de reacties van volwassenen toen ze mij met een hond die tot aan mijn schouders reikte zagen. Op mijn 8ste, ik zat in de 2de klas, verhuisden we naar de Copernicusstraat. Mijn ouders wilden een benedenwoning met tuin. Mijn wandeling naar de Lunterenstraat om de hond op te halen was tevergeefs. Hij was overleden. Het was in een tijd dat je als klein kind, ik in ieder geval wel, lange afstanden veilig door de stad zwierf.

Buitenspelend in de Wolfhezestraat en omgeving kwam ik vaak met opgewonden rood hoofd en bezweet thuis waar mijn vader mij afblafte dat ik niet zo wild moest doen. Uit die tijd stamt het vaste, voortdurend terugkerende scheldwoord dat hij voor mij had ‘dikkop’. Ik zie zijn strakke lippen en scheefgetrokken mond. Het was geen koosnaam, maar een scheldwoord dat mij iedere keer werd toegeschreeuwd als hij driftig was. Kan me niet herinneren wat aan mijn gedrag zijn verbetenheid veroorzaakte. Zijn steeds terugkerende woede, ik moet nu een beetje interpreteren, betrof onder andere mijn ongeduld. “Als jij iets in kop hebt, dan zit het niet in je kont”, was zijn vaste verwijt wanneer hij zich weer eens ergerde aan mijn ongeduld. Het heeft ‘een paar’ jaren geduurd voordat ik dat verwijt, niet zijn woede, begreep. Ik heb dat ongeduldige kop-kont nog steeds. Vaak zag ik hoe hij zich ergerde aan, zich zelfs schaamde voor, mijn oudste broer Frans. Die schaamte zag ik ook in zijn gezicht toen hij mij verweet dat ik tegen mijn moeder aan kroop in de kerk: “Daar ben je zo langzamerhand te oud voor”.

Zijn ‘dikkop’ schelden heeft mij geen goed gedaan. Het was kwetsend en ondermijnde mijn zelfvertrouwen. Na vele jaren nog. Kan me niet herinneren dat een van de andere kinderen een vast scheldwoord had. Als ik oude foto’s zie, dan had ik ook een dik koppie. Bij het kopen van muts of hoed moet ik op de grote maten af. Tot op hoge leeftijd, eigenlijk nog steeds, zit ik om die reden in gezelschap liever niet tussen mensen.

Op de trouwdag van mijn broer Frans (1963?) zat ik in de woonkamer van zijn schoonouders aan de Zuiderparklaan tussen mijn zus Jopie en het buurmeisje aan de Wolfhezestraat, Eveline de Graaf. De meiden waren met elkaar in gesprek. Toen Jopie zei: “Ton, ga eens opzij met die grote kop van je”, reageerde Eveline met een doodsteek: “Nee hoor Ton, je hebt helemaal geen grote kop”. Gekwetst en onzeker verliet ik de kamer en ging naar buiten. Een collega van mijn vader kwam mij achterna. Ik zag zijn blik toen de meiden mij krenkten. Buiten zei hij er niets over, maar maakte een praatje met me. Dat voelde solidair. Solidairiteit van een volwassene die ik thuis nooit gevoeld heb.

Ik zal een jaar of zestien zijn geweest en bokste al twee jaar bij Karel de Jager aan de Laan van Nieuw-Oost Indie, toen Jopie tijdens het avondeten mij voor ‘dikkop’ uitschold. Ik weet niet meer waarom; er zal een meningsverschil zijn geweest.

“Wie mij nog 1 keer dikkop noemt, sla ik zijn tanden uit zijn bek”. Niemand aan tafel reageerde. Ik ben nooit meer zo genoemd. Neem het mijn vader nog steeds kwalijk dat hij een vernederend scheldwoord bedacht voor een van zijn kinderen. Vernederend en pijnlijk. Het was net, als heel klein kind voelde ik dat al en jaren later nog, dat hij zich schaamde voor mij en zich voortdurend ergerde. Schaamte en ergernis die tot agressie leidde, niet alleen verbaal. Heeft mij onzeker gemaakt. Hij kon met zijn brede mond en dunne lippen verbeten kijken. Die mond  trok hij angstaanjagend scheef als tegen mij tekeer ging of me sloeg.

Op een drukke Koninginnedag sjouwden we met het hele gezin door de massa’s in de stad. Ik zal moe gezeurd hebben om drinken, misschien zelfs wel ijs. Met weer die scheve, verbeten mond sloeg mijn vader mij hard in mijn gezicht. Jongelui die op een muurtje zaten, scholden mij vader voor lafaard uit. Het eerste dat door mij heen ging: “Als jullie mijn vader aanvallen, zal ik hem verdedigen!” Hadden die gasten toen mijn vader maar een lesje geleerd.

Een of twee keer per week kwam een melk- en kaasboer bij ons langs in de Wolfhezestraat. De melk werd getapt uit grote verzinkte melkbussen. Vaak reed ik mee op zijn route. In de Voorthuizenstraat draaide ik de koperen kraan van een melkbus open. De melkboer was bij een klant. Wist niet hoe de kraan weer dicht te doen en de melk stroomde over straat. Ik rende naar huis, waar de melkboer later zijn beklag kwam doen. Werd ik gestraft? Geen idee.

Ik zat op school in de Weesperstraat. Hoofd van de school was J.Nowee, de schrijver van de Arendsoog boeken. Ik las alle avonturen van Arendsoog en Witte Veder, ook toen zoon P.Nowee het overnam na het overlijden van zijn vader.

We moesten onderweg naar school de Zuiderparklaan oversteken. Met klasgenootjes legde ik vaak mijn oor op de tramrails. Je kon de tram al aan horen komen voordat hij te zien was. Spijkers op de rails werden platte trofeeën die we onderling ruilden.

Op de Dierenselaan opende een meisje voor het eerst mijn ogen. We stonden met een groepje eersteklassers bij elkaar. Ze keek opzij en ik bewonderde de draaiing van haar nek. Dat maakte een vertederende manier indruk op me. Het beeld bleef lang, dagen, op mijn netvlies. Opwindend en mooi.

We verhuisden 1955 van de Wolfhezestraat naar de Copernicusstraat; zonder badkamer en zonder douche. Die douche is er ook nooit gekomen. Het was voortaan wassen aan een wastafel in de uitbouw van de woning, of aan het aanrecht in de keuken. Een keer per week werd een zinken bad van de binnenplaats gehaald dat in de keuken werd gezet. Je had geluk als je er als eerste in kon. Ik zie nog de zwarte randen in het koud geworden water drijven wanneer je later aan de beurt was. Soms mochten we naar het gemeentelijke badhuis in de Cartesiusstraat waar je voor een paar centen kon douchen, of naar de kelder van het zwembad aan de Regentesselaan waar betaaldouches waren.

In de laatste klassen van de lagere school en de eerste klassen van de mulo, ging ik enkele keren per week zwemmen in het Regentessebad. Vaak met buurjongen Hans Koerts, zoon van de fietsenmaker. Kwam in het zwembad in contact met een jongen die ik nooit eerder zag. Na die eerste ontmoeting heb ik hem ook nooit meer terug gezien. We speelden, doken en stoeiden. Tijdens dat stoeien duwde ik hem te lang onder water. Hij moest er door een badmeester uit gehaald worden. Kuchend zat hij op de kant van het diepe bad. Zijn teleurgestelde: “Dat had ik van jou niet verwacht”, roept na ongeveer zestig jaar nog steeds schuld en schaamte bij mij op.

Geen geld voor een douche thuis? Geen prioriteit! Mijn vader had een fulltime baan bij de politie en verdiende bij als kleermaker, mijn moeder werkte bij Stuurop in het Westeinde in de verkoop van Smyrnawol voor het zelf knopen van tapijten. Thuis werd het hele huis volgesmeten met zelf geknoopte tapijten. Bovendien hadden we als kinderen een dagelijkse plicht om te knopen voor klanten van Stuurop; daar kregen wij niet voor betaald. Bovendien werd er in de avonduren door mijn vader bijverdiend bij een kroegvriend die een postkamer had voor allerlei bedrijven. Van alle kanten kwam dus, misschien mondjesmaat, maar wel constant, extra geld binnen, maar een douche aanleggen? Ho, maar. Wel gingen mijn ouders meerdere keren per week naar een kroeg aan de Valkenboslaan. ‘s Nachts werden we niet zelden wakker omdat er weer allemaal nieuwe ‘ooms en tantes’ half lazarus en achter elkaar sigaretten rokend, na sluitingstijd van de kroeg door mijn ouders meegelokt werden om in huiselijke sfeer verder te zuipen.

Ik weet het telefoonnummer van Stuurop nog: 070-182093. Ik haalde mijn moeder iedere dag waarop ze werkte bij tram 3 op aan het Valkenbosplein, hoek Beeklaan. Er was daar destijds een snackbar, tegenwoordig is er geloof ik een restaurantje, waar ik in het portiek op haar wachtte. Ze werkte bij Stuurop tot zes uur in de middag en kwam op z’n vroegst kwart over zes aan met de tram. Ik stond vaak al voor zessen trouw op haar te wachten. Speelde er eens met een doosje lucifers. een voor een stak ik de lucifers aan en knipte ze brandend met mijn vingers voor mij uit. Een voor een….totdat een kleine man met baard naar mij toekwam en mij aansprak: “En wie moet dadelijk die troep opruimen”. Verlegen lachend wist ik niet hoe te reageren; vond wel dat hij gelijk had.

Door de verhuizing van de Wolfhezestraat naar de Copernicusstraat (1955) moesten we naar een nieuwe lagere school. Jopie en Els gingen naar de zusters aan de Beeklaan; Ger en ik naar de broeders in de Herschelstraat. Wat Frans toen deed, weet ik niet. Hij was al 16 jaar. Misschien werkte hij al.

De weg van huis naar school, door de Weimarstraat en over de Beeklaan werd samen met mijn vader enkele keren geoefend. Later volgden we de route: stukje Weimarstraat, Marconistraat, stukje Edisonstraat en via het Copernicusplein de Copernicusstraat in.

Enkele leerkrachten kan ik mij nog herinneren. Van Wijk, geen broeder, in de tweede klas. Broeder Bernard Janse in de derde klas. We waren allemaal gek op hem; een heel aardige, warme man waar je je veilig bij voelde. Broeder Norbertus Croonen in de vierde klas had de naam streng te zijn. Daar kan ik me nauwelijks iets van herinneren. De tranen liepen over zijn wangen toen hij aan het einde van het schooljaar bij de deur van de klas afscheid van ons nam. De vijfde en zesde klas was ik overgeleverd aan broeder Modestus Vercoelen.

Toen ik elf jaar was, ik zat in de zesde klas bij broeder Modestus Vercoelen, vond mijn vader voor Ger en mij vakantiewerk bij ijsfabriek Florencia in de Torenstraat. Hij kende de oprichter Talamini door zijn werk bij de vreemdelingenpolitie. In die tijd hadden Italianen nog een verblijfsvergunning nodig om in Nederland te wonen en te werken. Na drie middagen werken kregen Ger en ik ieder twintig gulden, 1 gulden per uur (€ 0,45). Een wereldbedrag in die tijd en we mochten het allemaal zelf houden. Ik begon bij Florencia in mijn korte broek en werkte er tot aan mijn 16de. Vele uren, hele vakanties hard werken. Mijn moeder bewaarde altijd eten voor mij in een afgedekt diep bord omwikkeld met kranten. Het pakket lag in bed, tussen de dekens op mij te wachten. Ik was meestal te moe om te eten, met uitzondering van de frisse vanillevla.

Werkend in de ijsfabriek verlangde ik naar het einde van de schoolvakantie zodat ik weer heerlijk bijna de hele dag kon zitten.

Beleefde bij Florencia mijn kalverliefde: Giuseppina (Pina) Lucariello uit Castellaneta in Taranto, Italie. Ik was 14 en zij, eigenlijk veel te oud voor mij, was 18.

Nadat Leniya en ik 2010 uit elkaar gingen door mijn hernieuwde ontmoeting met Monique, ben ik mij gaan realiseren dat Leniya mijn zwarte Pina was. In mijn herinnering versmelten hun gezichten. Er zijn meer overeenkomsten. Over mijn vergeefse tocht naar Castellaneta in Taranto, 1967, om Pina op te zoeken later meer… Hoe zal ze er nu uit zien? In 1962 was ze klein, slank, prachtig haar, stralende ogen; in alle opzichten een mooie Zuid-Italiaanse. Moet nu in de zeventig zijn.

Ger werkte slechts 1 seizoen bij Florencia. Bruno, de floormanager – dat woord bestond toen natuurlijk nog niet – en techneut vond dat Ger te lui was. Ger had ook geen zin in dat werk en ik, heel dienstig, rende de benen uit mijn kont.

Vanaf mijn eerste verdienste bij Florencia zorgde ik min of meer voor mijzelf: ik betaalde mijn kleding en mijn schoolboeken. Pas jaren later vroeg ik me af: wat deden mijn ouders met mijn kinderbijslag; wat deden ze met het geld dat ze verdienden met het smyrnaknoopwerk dat we verplicht waren te doen? Er werd in ieder geval geen douche van aangelegd; we gingen nooit met het gezin op vakantie; er was geen auto; geen enkele luxe anders dan hun kroegbezoek. De eerste TV kochten we vlak voordat het WK voetbal plaatsvond in Zweden: 1958. De doorbraak van Pele.

TV was zwart-wit; er was 1 net; de programma’s begonnen om 8 uur ‘s avonds met het journaal. Al een kwartier voor tijd zaten we met ons allen te staren naar het testbeeld. Op woensdag- en zaterdagmiddag was er TV voor kinderen met de voorloper van het jeugdjournaal: de verrekijker. Tante Hannie zwaaide ons uit aan het einde van het kinderprogramma en wij zwaaiden terug.

 

 

 

KUNSTDIEFSTAL EEN MARGINAAL PROBLEEM?

Lege lijst Isabella Stewart Gardner Museum, Boston
Lege lijst Isabella Stewart Gardner Museum, Boston

 

Uit Beveiliging Nieuws, 16 oktober 2015:

Tweederde gestolen kunst is bijna niet op te sporen

beveiligingnieuws.nl/nieuws/diefstal/tweederde-gestolen-kunst-is-bijna-niet-op-te-sporen 

“Ruim tweederde van de in Nederland gestolen kunst en antiek kan nauwelijks worden opgespoord. Doordat slachtoffers vaak niet beschikken over exacte gegevens of foto’s van de gestolen objecten.”  Dat zegt Martin Finkelnberg, hoofd van het landelijke politieteam kunst- en antiekcriminaliteit, die de database beheert, in deVolkskrant. Jaarlijks neemt het team zo’n 700 gestolen objecten op in zijn digitale kaartenbak. Ruim tweeduizend gestolen goederen worden niet geregistreerd in de database gestolen kunst van de Landelijke Politie omdat slachtoffers foto’s, serienummers, specifieke beschadigingen en andere kenmerken van hun kostbaarheden ontberen.Soms wordt kunst of antiek gevonden bij een vermeende crimineel, maar kan de eigenaar niet meer worden achterhaald. De rechter bepaalt dan of het wordt bewaard, geveild of vernietigd. Het publiek moet alerter, zegt Finkelnberg. Ook rechercheurs zouden kunstregistratie moeten opnemen in hun routine, net als dat nu wel bij gestolen auto’s gebeurt.

Dan is de conclusie gerechtvaardigd dat alleen 1/3 van geregistreerde gestolen kunst wordt opgespoord, want statistieken over niet geregistreerde gestolen kunst zijn er niet. Dit betekent dat van de totale hoeveelheid gestolen kunst veel meer zoekt blijft dan 2/3.
Wanneer je een overjarige 2hands auto koopt voor € 500, loop je tegen allerlei registraties aan: je moet hem verzekeren, het kenteken op naam zetten en wegenbelasting betalen. Met de duizenden camera’s langs de weg wordt je hele (handel en) wandel geregistreerd.
Het is echter altijd nog mogelijk kunst van duizenden tot miljoenen euro’s ongeregistreerd, desnoods contant en met zwart geld, te verhandelen.
De enige afdoende manier kunstdiefstal met een grote kans op succes te bestrijden, is de opname van alle kunst, vanaf een bepaalde waarde, in een positieve database.
Een utopie.
Ik bezocht meerdere keren het tweejaarlijkse congres van Interpol in Lyon over kunstcriminaliteit. De steeds terugkerende klacht daar was dat nationale politiecorpsen te weinig info aanleveren, en bovendien vaak met grote vertraging.
Kunstcriminaliteit is een grensoverschrijdende criminalteit.
Een nationale database is zinnig, maar absoluut niet voldoende.
De vraag die al jaren bij mij speelt, is of die kunstcriminaliteit nu werkelijk zo’n groot probleem is. Je hoort en leest dat het om zeker 6 miljard dollar per jaar gaat (hoe komt men aan zo’n getal?) en op de derde plaats staat na drugs en wapens. Dat behoeft nuance: in drugs en wapens gaat jaarlijks 100 miljard dollar om. Nogal een verschil.
Nog een nuance: uitgaande van de totale hoeveelheid kunst in musea en bij particulieren, durf ik de stelling aan dat we het hier hebben over een marginaal probleem. Overigens wel een probleem dat in het nieuws en in speelfilms tot de verbeelding spreekt.

Ton Cremers

VERHAAL HALEN, THE BEST OF MART SMEETS

Dale trui = Smeets trui
Dale trui = Smeets trui

Al vele jaren lees ik met plezier de boeken van Smeets. Ik heb zeker niet alles gelezen – zijn bibliografie in Verhaal halen, the best of Mart Smeets (uitgeverij Carrera, Amsterdam 2015; samenstelling Jacob Bergsma) beslaat zes pagina’s – maar veel wel. De boeken over wielrennen hadden mijn, zelf bij tijd en wijle een enthousiast fietser, voorkeur, maar ook zijn verhalen over reizen in de Verenigde Staten. Die min of meer autobiografische verslagen tonen een kind in een speelgoedwinkel die niets liever doet dan shoppen, bij voorkeur in CD winkels. Zijn enthousiasme is aanstekelijk. Voor mij althans, want het werd in de loop der jaren in toenemende mate lastig mijn leesplezier te delen met anderen. Waarom weet ik niet, maar hoon was mijn deel en ik kreeg steeds meer de indruk stiekem mijn guilty pleasure voor mij te moeten houden. Zelfs in de boekenwinkel waar ik mijn bestelling van Verhaal halen kocht, kreeg ik te horen dat ik waarschijnlijk een van de laatste Smeetsfans ben in Nederland. Dat zal niet waar zijn. Ik weet niet de oplagecijfers van Smeets’ boeken, maar ga er van uit dat ze voor de uitgever voldoende winstgevend zijn.

Sinds de Avondetappe met Smeets er niet meer is, is de Tour de France voor mij minder interessant, echt niet alleen om aan het einde van de Avondetappe weg te kunnen dromen bij het melancholische Buenas noches mi amor van Dalida. Smeets en Dalida zijn in de loop der jaren voor mij wel met elkaar verbonden geraakt. Dat bleek toen mijn vrouw Monique en ik vorig jaar in Montmartre langs het beeld van Dalida liepen; even voelden we de sfeer van de avondetappe. De Avondetappe was in de eerste plaats een must tijdens de Tour de France, vanwege de rustige sfeer, de gasten, de gesprekken, de verhalen van wijlen Jean Nelisse en Smeets. Dat ik ’s winters een Dale trui draag, is niet geinspireerd door Smeets, maar het is wel mijn ‘Mart-Smeetstrui’.

Ben ik fan? Ja, zonder enige twijfel. Kritiekloos? Zeker niet. Hij valt iedere keer voor mij een beetje van zijn voetstuk wanneer hij zich laat interviewen. Hij zou niet moeten deelnemen aan die idiotie van elkaar interviewende journalisten, deze journalistieke inteelt (met dank aan Ton Planken). Wanneer hij net iets te fanatiek het gebruik van de autocue verguist (door Eva Jinek even fanatiek tegengesproken) manoeuvreert hij zich in de weinig elegante rol van de seniorprofessional die het beter weet en beter kan, het verleden ophemelt en de nieuwe generatie de les leest. Kromme tenen.

Wat is de reden dat hij zo veel anti-gevoelens oproept? Is het zijn neiging tot bombastisch taalgebruik, is het de overkill aan Mart Smeets in de publiciteit, is het zijn succes? “Mensen zijn bereid je alles te vergeven, behalve je succes”, zei Henk van der Meijden toen hij afscheid nam van De Telegraaf als PRIVE roddelprofessional. Geen van deze drie mogelijke oorzaken van antipathie kan verklaren waarom Smeets uitgekotst wordt. Hoe ver dat uitkotsen gaat is te lezen in de boeiende en vlot geschreven inleiding doorJacob Bergsma in Verhaal halen, the best of Mart Smeets: “Tijdens de research voor dit boek ben ik ronduit geschrokken van de overstelpende hoeveelheid vuiligheid en nog heel, heel, heel veel erger die er over Mart Smeets is geschreven, vooral op de kennelijke vrijplaats die internet heet. Wanneer tegen het topje van de ijsberg aangifte zou worden gedaan, zou het Openbaar Ministerie met een royale dagtaak worden opgezadeld. Dat weet Mart Smeets zelf ook. Hij probeert het niet te lezen. Hij probeert het te ontwijken. Niet zelden loopt hij over straat, of hij wordt beschimpt, bespuugd, uitgescholden of zelfs met de dood bedreigd. En dan nemen ze zijn vrouw, en zijn kinderen en het licht in zijn ogen in een moeite mee. Want ze weten allemaal waar hij woont, dus komen ze hem opzoeken…..“.

Je schrikt er van als je het leest. Het kan bijna niet waar zijn. Las ik ooit een tekst van Mart Smeets die maar in de verte dergelijke reacties verklaart (gerechtvaardigd zijn ze sowieso niet)? Nooit! Als publiek figuur roep je onvermijdelijk alleen al omdat je kop op TV verschijnt negatieve reacties op. Dat hoort er blijkbaar bij. Je hoeft slechts een enkele keer live de tweets te lezen die gestuurd worden naar aanleiding van babbelprogramma’s als De wereld draait door en Pauw en het wordt duidelijk wat Jacob Bergsma bedoelt met ‘de kennelijke vrijplaats die internet heet’. De reacties zijn vaak te walgelijk voor woorden en zelden inhoudelijk waardevol.

Heerlijk dat we leven in een maatschappij waar iedereen vrijwel onbegrensd mag blaten wat hij wil. Jammer dat velen niet begrijpen wat vrijheid van meningsuiting werkelijk inhoudt.

Een keuze uit Twitter in de maand september 2015:

Sep 23 Als Peter R. de Vries, Halina Reijn en Mart Smeets tegelijk ziek zijn, dan is er die week geen tv.

Sep 23 Als Mart Smeets mij ging volgen op Twitter zou ik hem direct blocken

Sep 21  ‘BITCH JE MOEDER IS ZO DIK ALS ZE BIJ DE RADIO ZIT LIJKT ZE OP MART SMEETS IN BODYWARMER.’

Sep 19 Heeft Mart Smeets nou zo’n groot lichaam of een heel klein hoofdje?

Sep 18 Kees Jansma over Mart Smeets: “Moeilijke man, terroriseerde de redactie”

Sep 10 Zijn er echt mensen die Mart Smeets leuk vinden? Echt? Eerlijk?

Sep 9 Zag vanmorgen een ongewassen Mart Smeets recht in de ogen… man man man… wat een stinkerd is dat.

Sep 9 Kan iemand die idioot Mart Smeets achter de microfoon weghalen?

Hoe het ook zij: ik verorber de nieuwe Smeets bloemlezing met veel smaak. Hoewel Smeets zelf in het voorwoord blijkbaar fan van Ischa Meijer was, ‘maar een fan die niet in zijn schaduw kan staan’, vind ik zijn interviews met de weduwe van Piet Moeskops en met Gerrie Kneteman van een ‘meijeriaans’ niveau. Smullen!
Het wordt tijd dat Nico Dijkshoorn, over Smeets een op de man spelend repeteergeweer, uit zijn leegrakende voorraad originaliteit iets anders weet te halen dan “Mag ik dat zeggen, ja, dat mag ik zeggen“… Overigens: met alle respect voor Dijkshoorn die volgens mij de-beste-ooit-column (2010) uitsprak op TV; ook na jaren nog steeds niet met droge ogen aan te horen, en vooral te zien.